Aangifte wagens en schepen > Inleiding
In de collectie van het Historisch Centrum Leeuwarden bevindt
zich een lijst uit 1694 waarop alle wagens, schepen en andere
vervoermiddelen in de stad en hun eigenaren zijn aangetekend. [1] Daarnaast vermeldt deze lijst bijna
altijd het woonadres van de genoemde personen en ook nog een
flink aantal keren het beroep. Een bron die dus zeer nuttig kan
zijn voor verscheidene historische en genealogische studies. De
lijst is daarom getranscribeerd en van een register
voorzien.
Waarom deze lijst is opgemaakt, is in één
oogopslag duidelijk. Het is natuurlijk de bedoeling geweest om
een belasting op vervoermiddelen in te voeren. Dit blijkt ook uit
een op de lijst aangetekende klacht van de schippers Albert
Beuwis en Gerrit Geerts, die buijtenlandts (d.i. buiten
Friesland) voeren. Zij klagen „datse jarlix ijder 10 lb.
lastgelt moeten betalen en daerom te sustineren datse van
binnenlasten vrij behoorden te zijn, behalven noch de
convoijgelden die haer te laste wert gelecht”. [2] Dat de lijst inderdaad is aangemaakt om
belasting te heffen blijkt uit een andere bron. Op 29 maart 1694
besloten de Staten van Friesland, „nodigh oordelende de
finantien van dese provintie benificeren en te
vermeerderen”, om de floreenrente te verhogen met
één stuiver. Tevens besloten zij tot de invoering
van een belasting op de „wagens, karren, schuiten en
schepen binnen dese Provincie gevonden wordende”. Het
Mindergetal kreeg opdracht hiertoe een reglement op te stellen.
[3] Hoe dit reglement eruit kwam te
zien, is niet te achterhalen. Het journaal van het Mindergetal is
voor 1694 niet bewaard gebleven.
Hoewel het reglement zelf dus niet is overgeleverd, is wel
duidelijk dat dit snel op tafel lag. Op 13 april werden namelijk
in de vergadering van de Leeuwarder magistraat de burgemeester
Fenema en de bouwmeesters Acronius en Visscher gecommitteerd om
een plan te maken om een lijst te maken van de wagens en schepen
conform een missive van de Staten van Friesland. Drie dagen later
presenteerden de genoemde heren hun plan aan de magistraat en
nadat de laatste haar goedkeuring heeft verleend, werd besloten
dat door „aanplackinge van billietten en tromslag daar
van alomme in de stad bekentmakinge tot een ieders narigtinge
magh worden gedaan”. Op 1 mei werden Fenema, Acronius
en Visscher tevens gecommitteerd om de wagens etc. op te tekenen.
[4] Zij zijn echter niet de enigen
geweest die uiteindelijk de lijst gemaakt hebben. Het aantal
handschriften op de lijst is namelijk groter dan drie.
In Leeuwarden hebben de plannen van de Staten van Friesland
om een belasting op vervoermiddelen in te voeren dus geleid tot
het opmaken van een kohier. Of dit in andere steden en
grietenijen ook het geval is geweest, is niet onderzocht.
Onduidelijk blijft ook of de bewuste belasting ook daadwerkelijk
ingevoerd is. In de door mij geraadpleegde bronnen wordt ze in
elk geval nergens meer genoemd.
Tot zover de achtergronden van de lijst. Nu nog enige opmerkingen
betreffende de transcriptie. De gegevens uit het manuscript zijn
zoveel mogelijk geuniformiseerd en in vijf kolommen gerangschikt.
Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:
1) Paginanummer
2) Nummer ten bate van register.
3) Adres. Hierbij is in de transcriptie de moderne schrijfwijze
gehanteerd. Dus „op de dijck” wordt Wirdumerdijk etc.
Waar dit wenselijk leek is echter de oude schrijfwijze
gehandhaafd.
4) Naam en verdere bijzonderheden (beroepen etc.). Hierbij is
doorgaans de originele schrijfwijze gehandhaafd.
5) Vervoermiddelen. Moderne schrijfwijze en aantallen in
arabische cijfers.
Voor het overige is de volgorde van het manuscript gehandhaafd. De paginanummers in de transcriptie verwijzen naar de bladnummering van het origineel. [5]
Hoewel het niet de bedoeling is om hier een compleet onderzoek
aan de hand van deze lijst te presenteren, mogen de totaalcijfers
toch niet ontbreken. Hierbij moeten ook een paar bronnenkritische
aantekeningen geplaatst worden. In de eerste plaats moeten we ons
in betrekking tot totaalcijfers afvragen hoe volledig de lijst
is. Hier valt helaas weinig over te zeggen, behalve dan dat de
lijst op mij vrij volledig overkomt. Daar er verder niets op
wijst dat de lijst onvolledig zou zijn, lijkt het mij dan ook
verantwoord om er van uit te gaan dat deze inderdaad volledig is.
Een ander, en eigenlijk groter, probleem is dat vaak niet altijd
duidelijk is wat voor scheepstype er achter een bepaalde term
schuil gaat. Met name in de categorie schuiten en pramen is de
diversiteit groot. We treffen hier zowel zeewaardige schepen aan
als kleine (roei)bootjes. Ondanks deze problemen zal hier toch
een poging gewaagd worden om totaalcijfers van het aantal
vervoermiddelen te geven.
De vaartuigen vallen voor het merendeel in de categorie
pramen en schuiten [6], 407 stuks.
Zoals gezegd zijn dit niet alleen bootjes voor vlak bij huis. Dit
blijkt ook uit de cijfers voor vaartuigen die als binnenschepen
konden worden geïdentificeerd. Naast 25 trekschepen treffen
we slechts 10 andere binnenschepen [7] in de stad c.a. aan. Ongetwijfeld zullen ook
vaartuigen die in de categorie pramen en schuiten als binnenschip
in gebruik zijn geweest. Zo zullen de drie bollepramen van de
Dokkumer schipper Jurrien Sijmens waarschijnlijk beroepshalve
gebruikt zijn. [8] Ook zullen enige
binnenschepen terecht gekomen zijn in de categorie jachten,
omvattende 64 stuks. De meeste van deze schepen zullen voor
particulier vervoer of vermaak hebben gediend, maar niet uit te
sluiten valt dat ook enigen zijn ingezet als bijvoorbeeld
beurtschepen. De laatste categorie, zeewaardige schepen, omvat 27
schepen. [9] Ook van deze categorie
kunnen echter nog enige schepen in de categorie pramen en
schuiten terecht zijn gekomen.
Van de rijtuigen e.d. werd het grootste deel gewoon als wagen
aangegeven, in totaal 96 stuks. De meesten van deze zullen bij
verschillende werkzaamheden gebruikt zijn, net als de hooiwagens
(45 stuks), de boerewagens (3 stuks) en het lichtere gereedschap,
de karren (27 stuks) en de sleden (15 stuks). Voor het
personenvervoer werd het meest gebruik gemaakt van sjezen (66
stuks) en hoornse wagens [10] (63
stuks). Geriefelijker en luxueuzer waren de verdekte wagens (36
stuks). In het nog luxere segment treffen we 6 calessen, 6
karossen, 3 koetsen en 1 balijn aan. Onduidelijk is waar de 2
bolderwagens voor werden gebruikt.
Harm Nijboer
[1] GAL, L 216. Deze lijst heb ik
eerder gepubliceerd in Nieuwsbrief Studiegroep Geschiedenis
Leeuwarden 29 (juni 1995), p. 1-35. In deze webversie zijn
enige verbeteringen aangebracht.
[2] Zie in de transcriptie de nrs.
34 en 35 en de opmerking
daaronder.
[3] RAF, Archief Gewestelijk Bestuur
voor 1795 (Archief 5), inv. nr. 130, folio 63.
[4] GAL. Magistraatsresoluties
(minuut), 13 en 19 april en 1 mei 1694.
[5] Potloodnummering van recente
datum.
[6] Hierin zijn alle vaartuigen
ondergebracht die niet in een andere categorie ondergebracht
konden worden.
[7] 6 snikken, 1 turfschuit, 1
veerschip, 1 damschuit en 1 verdekt schip. (De laatste werd
verdekt schip genoemd ter onderscheiding van de open snik.)
[8] Zie in de transcriptie nr. 378. NB is waarschijnlijk dezelfde als
in nr. 226.
[9] 18 smalschepen, 5 kofschepen, 2
smakken en 2 schuiten om buitenlands te varen.
[10] Hieronder zijn ook gerekend
de enkele malen vermelde jachtwagens, speelwagens en open
wagens.