Medische zorg
De geneeskundige ontwikkeling in Leeuwarden heeft in de afgelopen twintig jaar in hoofdzaak die van het gehele land gevolgd. In 1945 stonden we voor de problemen van een volk, dat in de oorlog een uitplundering zonder weerga had doorgemaakt, maar ook de welvaart van 1965 is niet probleemloos. Eerst de problemen van gebrek aan alles en nu die van overvloed. Merkwaardig is, dat de ziekten toen overwegend van lichamelijke aard waren en dat nu een niet te miskennen toenemend aandeel der ziekten van psychische oorsprong is. Toen ziekten als gevolg van gebrek, honger en onhygiënische omstandigheden: infectieziekten, acute zowel als chronische. Nu ziekten samenhangend met de welvaart; vetzucht, arterio sclerose, hoge bloeddruk enz., neurosen in velerlei vermommingen. Na de oorlog heeft de ontwikkeling zich versneld, die reeds in de eerste decennia van deze eeuw inzette. De specialistische geneeskunde breidde zich uit, waarnaast zich na 1945 de zogenaamde sociale geneeskunde sterk ontwikkelde. De ontwikkeling van de specialistische geneeskunde heeft een stormachtige groei van het ziekenhuiswezen met zich mee gebracht. De apparatuur, nodig voor diagnostiek en behandeling, is uitgebreider en ingewikkelder geworden. De verpleegster is in plaats van een onderbetaalde werkkracht, die op haar oude dag (als ze niet tijdig in het huwelijksbootje was gestapt) genadebrood mocht eten, een normaal gesalarieerde employé geworden, alle brave romantiek ten spijt. Deze ontwikkeling heeft tevens de groei van de voor de geneeskunde noodzakelijke hulpwetenschappen in de laboratoria gestimuleerd.
De kosten van de moderne geneeskundige behandeling in en buiten de ziekenhuizen zijn dusdanig gestegen, dat men zich angstig moet gaan afvragen, of de samenleving deze op den duur wel zal kunnen dragen. Voor de ziekenhuizen wordt het steeds moeilijker een sluitende exploitatie te bereiken, terwijl de ziekenfondsen en andere verzekerende instanties de premies steeds moeten verhogen. Slechts het aanstippen van enige feiten kan dit alles illustreren. Infectieziekten, b.v. difterie, poliomyelitis en tuberculose waren in de eerste jaren na de oorlog aan de orde van de dag, terwijl bezetter en bevrijders het Nederlandse volk een visitekaartje in de vorm van lues en gonorroe nalieten.
Een paviljoen voor besmettelijke ziekten was in de eerste jaren na 1945 een nuttig instituut, al kan men zich afvragen welke motieven lang voor de oorlog hebben geleid tot de oprichting van dit inefficiënte, slecht gebouwde, toen reeds aan geen redelijke eisen voldoende, instituut; mogelijk de wat verlate gedachte aan een “Pesthuis” buiten de stad. De plannenmakers hebben toen zelfs de matige groei van Leeuwarden onderschat. In de eerste jaren na de oorlog werden bij de Leeuwarder bevolking gevallen van tuberculose gevonden. Een daling, reeds vóór de oorlog begonnen, zette zich voort en optimisten dromen nu van de verdwijning van de ziekte.
In de naoorlogse jaren bewees het Parkherstellingsoord grote diensten. Vele Leeuwarders kuurden verder in Appelscha (Beatrixoord). De tuberculosebestrijding heeft, naast de sinds 1945 ingevoerde antibiotica en de toenemende mogelijkheden van chirurgische therapie van de longtuberculose, deze ziekte weten terug te dringen. Doch één oorzaak mogen wij naast deze medische factoren niet vergeten. De tuberculose is een zeer conjunctuurgevoelige ziekte; welvaart en vrede ontnemen de tuberkelbacil een belangrijk deel van zijn “maatschappelijke voedingsbodem”. Nog steeds is het gevaar voor de terugkeer van deze ziekte aanwezig. Zij kan terugkeren door een verandering in de economische omstandigheden, oorlog, enz. Dit, terwijl merkwaardig genoeg, in vroeger jaren de tuberculose zelf bij velen een zekere bescherming gaf tegen hernieuwde ernstige besmettingen met een bacil. Vroeger had de meerderheid van de adolescenten en jonge volwassenen een positieve tuberculinereactie, nu nog slechts enkelen. Jonge volwassenen en adolescenten zijn in deze toestand van tuberculineongevoeligheid zeer vatbaar voor tuberculose-infectie. De import van vreemde arbeidskrachten uit landen met een hogere tuberculosemorbiditeit betekent een duidelijk gevaar, terwijl zelfs de onbeperkte reislust van de jeugd naar deze landen in vele gevallen een besmettingsgevaar kan meebrengen.
In de jaren na de oorlog zijn de geslachtsziekten geruisloos verdwenen (een monument van relatieve deugd). De centrale overheid achtte na 1955 een consultatiebureau voor deze ziekten voor Leeuwarden en Friesland niet meer nodig. Toch behoeven wij ons nog niet te verheugen over de verdwijning van deze ziekten. Ook hier kan import van vreemdelingen, reislust naar landen met een grotere besmettingskans en het veranderende levenspatroon, dat bij beide seksen een grotere promiscuïteit met zich meebrengt, ons bedreigen met een toename van de geslachtsziekten.
Spectaculair zijn de resultaten van de bestrijding van bepaalde acute infectieziekten. Difterie en poliomyelitis zijn vrijwel verdwenen, terwijl het ontwikkelde schema van inentingen een ziekte als kinkhoest belangrijk heeft teruggedrongen. Over deze ziekte zijn wij echter minder goed geïnformeerd, omdat de aangifte niet verplicht is. Waarschijnlijk is in de jaren na de oorlog het gehele patroon van de besmettelijke ziekten zeer sterk gewijzigd, hoewel daarvan slechts ten dele een duidelijk beeld is te vormen. De aangiften krachtens de besmettelijke ziektewet omvatten slechts een fractie van het aantal gevallen van de daarbij betrokken ziekten. Vast staat de verdwijning van difterie en poliomyelitis. Over een vroeger zo gevreesde ziekte als roodvonk zijn de opvattingen sterk gewijzigd en mogelijk is het beeld van de ziekte veranderd. De oudere geneeskunde sprak misschien niet ten onrechte van de genus epidemicus, de aard of het karakter van de epidemie.
Een duidelijke toename, ondanks de hygiëne (?) en de welvaart, doet zich voor op het gebied van de zogenaamde salmonellosen en mogelijk neemt de besmettelijke geelzucht toe, zij het, dat deze ziekte epidemiologische schommelingen vertoond. Beide zijn darminfecties, veelal via voedings- en genotmiddelen verspreid.
Van Leeuwarden kan worden gezegd, dat het aantal aangegeven besmettelijke ziekten laag is. Sommige artsen geven nimmer een geval aan, andere tamelijk frequent. Op de cijfers valt maar weinig staat te maken. De mortaliteit aan infectieziekten is vrijwel tot nul gedaald.
De uitroeiing van ziekten als polio en difterie is een duidelijk succes van de bestrijding door systematische inentingen. De bestrijding van deze twee ziekten is gekoppeld in één vaccin met de bestrijding van kinkhoest en tetanus. De laatste ziekte is een infectieziekte, die echter niet van mens op mens wordt overgebracht; de bestrijding van deze ziekte is van belang met het oog op de “nieuwe epidemie” der verkeersongelukken (bij verwondingen die met straatvuil in aanraking zijn geweest, doet zich het gevaar tetanus of “klem”, zoals onze voorouders het noemden, voor).
Het is bij de invoering van de poliomyelitisinenting op grote schaal, dat de Leeuwarder artsen in spontane samenwerking met de kruisverenigingen, de Leeuwarder ziekenhuizen, de geneeskundige en gezondheidsdienst, de gemeentesecretarie met steun van de provinciale griffie en het bedrijfsleven, een, zij het aanvankelijk bij de centrale gezondheidsautoriteiten niet zeer gewaardeerde, rol hebben gespeeld. Op een druk bezochte vergadering in april 1957, na een enthousiaste uiteenzetting van dr. H. Cohen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid, besloot de afdeling Friesland Noord van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering van de Geneeskunst tot inenting tegen polio op grote schaal over te gaan. Wij mogen ons gelukkig prijzen, dat van hieruit een stoot is gegeven tot een versnelde invoering van massale inentingen in den lande. Het inentingsprogramma van de centrale overheid is hierdoor gestimuleerd, met als gevolg, dat een eerste dam tegen de polio is opgeworpen.
Uit deze “inentingsrel” is tussen de geneeskundige en gezondheidsdienst en een der eerste initiatiefnemers, een van de praktiserende kinderartsen, medewerkers van het Rijksinstituut van de Volksgezondheid en een der provinciale kinderartsen van het Groene Kruis een nader contact ontstaan, waaruit resulteerde, dat in Leeuwarden, voor het eerst in Nederland, proeven werden verricht met het viervoudige vaccin K, D, T en P (kinkhoest, difterie, tetanus en polio). Het vervult de schrijver met enige trots aan de ontwikkeling van dit vaccin, zij het als handlanger op bescheiden wijze, te hebben mogen medewerken. Zonder de enthousiaste arbeid van beide kinderartsen was dit project in Leeuwarden niet tot een gelukkig einde gekomen, terwijl de technische en administratieve hulp van het stadsziekenhuis en de geneeskundige en gezondheidsdienst niet mag worden vergeten. Eigenlijk is dit een hoogtepunt van de activiteit van de geneeskundige en gezondheidsdienst geweest.
De ontwikkeling van de infectieziektebestrijding en de bouw van het kinderziekenhuis van het Diaconessenhuis hebben het paviljoen voor besmettelijke ziekten eigenlijk de basis van zijn bestaan ontnomen. Besmettelijke ziekten zijn er zelden meer; in de laatste jaren evolueerde het paviljoen in de richting van een inrichting voor de verpleging van chronische zieken en psychiatrische patiënten, van de laatste in hoofdzaak bejaarden.
En hiermede zijn we ongemerkt gekomen aan het veranderende ziektepatroon sinds 1945. Het toenemend aantal bejaarden doet het aantal chronische zieken stijgen en niet in het minst de aantallen geestelijk gestoorden. Men spreekt van het bejaardenprobleem soms bijna in termen alsof de ouderdom niet voor de bejaarde alleen, maar voor het gehele volk een “plaag”dreigt te worden.
Naast het stijgend aantal bejaarden nemen vooral de welvaartsziekten toe, bij voorbeeld hart- en vaatziekten, terwijl de toeneming van longgezwellen door overmatig roken van sigaretten ook een “beschavings- of welvaartsziekte” genoemd zou kunnen worden. Het toenemend aantal bejaarden, het toenemend aantal chronische zieken, het stijgend aantal geestelijk en/of lichamelijk gehandicapte kinderen dat langer blijft leven, dank zij de fabelachtige groei van het “medisch kunnen”, schept problemen van verpleging en verzorging, die grote eisen aan de samenleving stellen, op het gebied van financiën en mankracht.
Op het gebied van de verzorging van chronisch zieken staat Leeuwarden niet vooraan; nog steeds ontbreekt een goede verpleeginrichting voor chronische zieken, terwijl een gelegenheid voor de verpleging van geestelijk gestoorde bejaarden eveneens ontbreekt. Het stijgend aantal gehandicapten op jeugdige leeftijd zal op den duur toenemende eisen stellen aan de sociale werkgelegenheid, een ontwikkeling, die nog slechts aan het begin staat.
Het Diaconessenhuis en het St. Bonifatiushospitaal hebben zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot moderne ziekenhuizen. Het stadsziekenhuis is bij deze ontwikkeling achtergebleven, hoewel de plannen om de achterstand in te halen vastere vormen aannemen en mogelijk binnen afzienbare tijd tot uitvoering komen. Dan zal tevens in een behoefte aan een moderne verpleeginrichting voor chronische zieken worden voorzien. Voor een deel werd hieraan reeds tegemoet gekomen door de omzetting van het Parkherstellingsoord in een verpleeginrichting.
In deze jaren is de aanloop genomen om te komen tot een moderne geneeskundige dienst; er zijn plannen in ontwikkeling die, indien de middelen niet ontbreken, deze tak van dienst op een moderne leest zullen schoeien. Een hinderpaal, die de gezonde ontwikkeling van de sociale geneeskunde in de weg staat, is echter de rommelige opbouw van deze tak van gezondheidszorg: een merkwaardige “lappendeken” van allerlei particulier initiatief; drie kruisverenigingen, stichtingen en andere instellingen bemoeien zich met gezondheidszaken.
De laatste jaren heeft zich, hoewel laat, een zekere vorm van samenwerking tussen de Leeuwarder ziekenhuizen ontwikkeld. Tussen de Friese ziekenhuizen bestond reeds contact sinds 1940 door de problemen, die de oorlogstoestand opriep. Daaruit ontstond in de naoorlogse jaren het laboratorium voor de volksgezondheid voor bacteriologie en pathologische anatomie. Ondanks het teruglopen van wat men gewoonlijk de infectieziekten noemt, spelen vele micro-organismen nog steeds een belangrijke rol als ziekmakende agentia. De bestrijding van deze ziekteverwekkers door middel van zogenaamde antibiotica deed en doet de vraag naar bacteriologische adviezen toenemen, terwijl de serologie bij de diagnostiek nog steeds in belangrijkheid toeneemt.
De behoefte aan pathologisch anatomisch onderzoek, misschien minder in het oog lopend voor het grote publiek, is uit de moderne geneeskunde niet meer weg te denken, zowel wat het onderzoek van proef-excisies voor de diagnose als wat het onderzoek na de dood betreft. Het laatste is altijd een met een loden last van sentimenten beladen zaak. Het ware te hopen, dat het grote publiek zich ten aanzien van dit vraagstuk van zijn vooroordelen losmaakte; een regelmatig postmortaal onderzoek van alle daarvoor in aanmerking komende gevallen zou op den duur de geneeskundige ontwikkeling ten goede komen.
Uit de samenwerking tussen de Friese ziekenhuizen is dus het laboratorium voor de volksgezondheid voortgekomen. Het was aanvankelijk wat primitief gehuisvest in het voormalig kantoor van de energiebedrijven, met later de villa “Vaartzicht” als dependance. De ontwikkeling was zodanig, dat een groot, om niet te zeggen groots, nieuw gebouw nodig was. Het werd officieel geopend in oktober 1965.
Uit de in de laatste jaren gegroeide samenwerking van de drie Leeuwarder ziekenhuizen (tussen het Diaconessenhuis en het Stadsziekenhuis bestond ten aanzien van de opleiding reeds lang een zekere vorm van samenwerking) groeide in korte tijd, in overleg met het provinciaal laboratorium voor de volksgezondheid, een klinisch chemisch laboratorium, in samenwerking met de afdeling Leeuwarden van het Roode Kruis, de bloedbank en de trombosedienst, het provinciale Groene Kruis en het Kankerbestrijdingcentrum Leeuwarden. De eerste beide instellingen zijn ondergebracht in het gebouw van het laboratorium voor de volksgezondheid, terwijl de laatste instelling in het Diaconessenhuis is gevestigd.
Het klinisch chemisch laboratorium is in zijn huidige vorm de samenvoeging van de activiteiten op dit gebied in één laboratorium, met dependances in de drie ziekenhuizen, onder de leiding van nu nog één klinisch chemicus. Deze functionaris is geen medicus, iets wat terloops een licht werpt op de ontwikkeling van de moderne geneeskunde en haar specialisatie. Hier gaat de specialisatie zo ver, dat de specialist buiten de geneeskunde moet worden gezocht: in het gebied van de farmacie en de chemie. De ontwikkeling gedurende het halve jaar dat dit gecombineerde laboratorium functioneert, is van dien aard, dat de stoutste verwachtingen worden bewaarheid, zo niet overtroffen. Het is zeker, dat wij ten aanzien van de klinisch chemische diagnostiek nog slechts aan het begin staan wat betreft de soorten van onderzoek en de methoden van onderzoek, terwijl de reeds in dit laboratorium ingevoerde automatisering aspecten opent voor de kliniek, die men zich in de aanvang van de in dit artikel behandelde periode nog niet had kunnen voorstellen. Terwijl de radioactieve isotopen voor de diagnostiek in Leeuwarden nog niet worden toegepast, valt alleen op te merken, dat ook hier nog een terrein van onderzoek braak ligt, dat weldra in bewerking moet worden genomen.
De bloedbank is een verbetering en rationalisatie van de methodes ten aanzien van bloedafname, bloedbewaring en -toediening, terwijl de trombosedienst een belangrijke rol speelt bij de behandeling van bepaalde vaatziekten met antistollingsmiddelen.
Het kankercentrum, dat zich nu alleen bezig houdt met een registratie van gezwelziekten, de zogenaamde follow-up van patiënten met kwaadaardige gezwellen en enige voorlichting op het gebied van gezwelziekten, bijvoorbeeld propaganda tegen roken in verband met longkanker, kan zich ontwikkelen tot een instituut voor de “stralenbehandeling” van kwaadaardige gezwellen.
Ten aanzien van het ziekenhuiswezen kan nog worden opgemerkt, dat zich de laatste jaren een gewijzigde vorm van de verpleegstersopleiding aan het ontwikkelen is. De directies van het Diaconessenhuis en het Stadsziekenhuis zoeken gezamenlijk tastend een weg in deze doolhof. De gedachte achter deze wijzigingen in de opleiding is de door velen aangevochten mening, dat bij de zo stormachtige ontwikkeling op het gebied van diagnostiek, techniek en behandelingsmethoden de behoefte bestaat aan verpleegsters van een hoger intellectueel niveau en een sterker gespecialiseerde opleiding. Een gedachte, die bij velen de vrees doet opkomen, dat in de ziekenhuizen een bedenkelijk standensysteem zal ontstaan; een scala van verpleegkundigen van verschillende rang zal zich met de verpleging bezig houden, zo meent men.
Uit de activiteiten betreffende het laboratorium voor de volksgezondheid is, door samenwerking van de Friese ziekenhuizen en de industrie, een stichting analistenopleiding voortgekomen, die zich bezig houdt met de opleiding van medische analisten en chemische leerling-analisten (en laboranten). Ook deze ontwikkeling komt de gezondheidszorg ten goede.
Opgemerkt zij, dat bij de geneeskundige dienst een zogenaamd gezondheidsplan in voorbereiding is, dat, evenals de ziekenhuis- en verpleeginrichtingsplannen, te lijden heeft van de onderbezetting van deze dienst.
Een ontwikkeling die zich na 1945 geruisloos heeft voltrokken, is de verdwijning van het instituut van gemeenteartsen c.q. stadsartsen belast met de zogenaamde armenpraktijk. Tengevolge van de ontwikkeling van de ziekenfondsen is het aantal niet bij een ziekenfonds verzekerden sterk teruggelopen.
De problemen waarvoor de overheid zich in het huidige tijdsgewricht ziet geplaatst, zijn nauw verbonden met de problemen van opvoeding, onderwijs en sociale zorg.
De schoolartsendienst van de geneeskundige en gezondheidsdienst (oorspronkelijk een districtsdienst van de gemeenten) richtte aanvankelijk de activiteiten (en dit terecht in de naoorlogse jaren) op de somatische aspecten van het schoolkind.
Na de oorlog onderging het buitengewoon lager onderwijs een sterke ontwikkeling. Naast de scholen voor imbecielen en debielen deed de school voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden haar intrede, waardoor de behoefte aan betere diepgaande psychologische voorlichting en onderzoek zich deed gevoelen. Het is een ontwikkeling, die nog aan het begin staat, omdat niet alleen de schoolpsycholoog zijn intrede deed, doch ook de jeugd- of kinderpsychiater. De wetenschappelijk gefundeerde pedagoog behoort in de toekomst zijn aandeel in de gezondheidszorg voor het schoolkind bij te dragen. De vraag is, of niet te vaak schoolkinderen aan lichaam en ziel schade lijden, geestelijk en intellectueel te kort komen bij het huidig onderwijssysteem, tot schade van de maatschappij.
Naast de schoolgeneeskunde, of beter: ervoor, valt de zorg voor zuigeling en kleuter. Dit is een zaak van de kruisverenigingen. Een ontwikkeling is aan de gang om een betere aansluiting tussen beide takken gezondheidszorg te vinden. Hier vinden de geneeskundige en gezondheidsdienst en de kruisverenigingen elkaar, evenals in de organisatie van de entgemeenschap, waarin kruisverenigingen, huisartsen en de geneeskundige en gezondheidsdienst samenwerken bij de uitvoering van de inentingsprogramma’s van de centrale overheid.
De geneeskundige en gezondheidsdienst in Leeuwarden heeft de curatieve verzorging van bejaarden tot taak in “De Terp”, een gemeentelijk tehuis voor bejaarde mannen, die zich minder goed in de normale bejaardentehuizen aanpassen. De geneeskundige en gezondheidsdienst heeft daardoor, zij het bescheiden, contact met het na de oorlog ontstane “specialisme” geriatrie. Het gehele probleem van de bejaardenzorg in dit korte bestek uitgebreid behandelen is onmogelijk. Het is nu nog een zaak van zoeken en tasten.
Op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg werd in de naoorlogse jaren onder auspiciën van het Fries Patronaat de sociaal-psychiatrische dienst opgericht, een instelling, die uit het gebied van de voor- en nazorg van geesteszieken niet meer is weg te denken en waarmede de geneeskundige en gezondheidsdienst een vruchtbare en hartelijke samenwerking heeft. De ontwikkeling van de sociale psychiatrie in Friesland is geheel een product van de in dit overzicht beschreven periode. Het heeft ongetwijfeld aan velen enige moeite gekost de activiteiten van deze dienst naar waarde te schatten. Hoewel er steeds op de activiteiten van sociaal-geneeskundige instellingen kritiek zal zijn, staat het vast, dat de sociaal-psychiatrische dienst een leemte opvult in de geestelijke gezondheidszorg, waarvoor noch de praktiserende zenuwartsen, nog de inrichtingsgeneesheren voldoende tijd hebben.
De sterk veranderende maatschappelijke toestanden, de geringe tolerantie, die in de moderne samenleving voor geestelijk gehandicapten bestaat, de grote kans op het ontstaan van psychische aberraties ten gevolge van de moderne maatschappelijke structuur aan de ene kant en de moderne medicamenteuze therapie van psychische aandoeningen, de op snellere resocialisatie gerichte therapie in de inrichtingen, waardoor een vroeger ontslag uit de psychiatrische klinieken geschiedt, ter andere zijde, scheppen een grotere behoefte aan zogenaamde “psychische begeleiding” van velen, die in de maatschappij gevaar lopen, wat hun psychische validiteit betreft.
De toenemende therapeutische mogelijkheden hebben er in de laatste jaren toe geleid, dat in Leeuwarden een centrum voor psychotherapie is opgericht, waarin samengewerkt wordt door de in Friesland gevestigde psychiaters, de psychiatrische kliniek in Groningen, de sociaal-psychiatrische dienst en de psychiatrische inrichting in Franeker.
De moderne inzichten op het gebied van de psychiatrie hebben er toe bijgedragen, dat in de laatste maanden van 1965 enig gerucht is ontstaan over de positie van de psychiatrische inrichting in Franeker en de eventuele plannen om een deel van de activiteiten van deze inrichting over te plaatsen naar een instituut, dat meer centraal in of bij Leeuwarden zou zijn gevestigd. Ongetwijfeld hebben deze geruchten aanleiding gegeven tot een gevoel van onbehagen in de oude academiestad.
De zorg voor de geestelijke volksgezondheid heeft de behoefte doen ontstaan aan een veelzijdig instituut voor onderzoek, therapie en voorlichting op dit gebied. Op provinciaal niveau is in de naoorlogse jaren het instituut geestelijke gezondheid ontstaan met afdelingen:
- 1. Sociaal-pedagogische dienst, zorg voor geestelijk gehandicapten;
- 2. Medisch opvoedkundig bureau. De naam geeft al aan in welke richting men hulp wil geven.
- 3. Kinderpsychologische afdeling.
- 4. Een afdeling psychotechniek, bedrijfspsychologie.
Naast dit instituut werken nog het Christelijk bureau voor school- en beroepskeuze en een Katholiek medisch opvoedkundig bureau.
Het is, gezien de Nederlandse verhoudingen, begrijpelijk, dat op dit terrein een duidelijk naar de religieuze signatuur gerichte indeling is ontstaan. De vraag doet zich voor of deze ontwikkeling gelukkig is, terwijl men zich omgekeerd kan afvragen of enige in de provinciale hoofdstad gevestigde psychologische instituten wel naar behoren de verschillende delen van de provincie kunnen bedienen. Bij enkele gemeenten en ook bij de geneeskundige en gezondheidsdienst in Leeuwarden is de wens opgekomen om een psycholoog c.q. psychologen in eigen dienst te hebben, omdat op deze wijze zeker in plaatsen met een eigen geneeskundige en gezondheidsdienst een betere samenwerking tussen schoolartsen en psychologen kan ontstaan, terwijl tevens het contact tussen de andere artsen van de geneeskundige en gezondheidsdienst en de psychologen beter tot stand kan komen, al was het alleen al door meer mogelijkheden tot een informeel contact.
De grotere belangstelling voor de minder validen heeft in het afgelopen tijdperk van twintig jaren overal in den lande aanleiding gegeven tot de oprichting van provinciale stichtingen, die zich met de problemen van de revalidatie bezig houden. Ook in Friesland is een stichting “Revalidatie Friesland” opgericht met een arts voor revalidatie, die zich in hoofdzaak bezig houdt met de directe sociale voorzieningen voor minder validen, plaatsing in revalidatie-inrichtingen, prothesevoorzieningen, aangepaste arbeid, enz. Met deze instelling onderhoudt de geneeskundige en gezondheidsdienst regelmatig contact.
Het bestek van dit geschrift leent zich er niet toe, om een beschouwing te wijden aan het aantal medische, paramedische en sociale instanties, die de in zijn validiteit te kort komende mens omringen. De activiteiten van de stichting “Revalidatie Friesland” hebben er toe geleid, dat aan het St. Bonifatiushospitaal en aan het Diaconessenhuis als specialist een revalidatiearts is verbonden.
Na de oorlog heeft Friesland ook een eigen geneeskundig inspecteur voor de volksgezondheid gekregen, die in Leeuwarden is gevestigd. Vermeld mag voorts worden, dat krachtens de gezondheidswet een centrale raad en provinciale raden voor de volksgezondheid zijn ingesteld. Voor Friesland is deze raad in Leeuwarden gevestigd.
Op het terrein van de sociale geneeskunde heeft de bedrijfsgeneeskunde zich nog niet ontwikkeld. Het ziet er evenwel naar uit, dat deze ontwikkeling zich in de komende tijd zal voltrekken, in samenhang met de groeiende betekenis van de industrie.
Wat de hygiëne betreft, kunnen van medische zijde enige vraagstukken slechts worden aangeduid. De aandacht verdienen het tegengaan van watervervuiling, de opruiming van het tonnenstelsel, in samenhang met een goede riolering annex rioolwaterzuivering. De luchtvervuiling speelt door de graad en de aard van de industrialisatie slechts een kleine rol.
Bij deze sterk somatische gerichte belangen (hoewel aan geur en walm ook geestelijke aspecten zijn verbonden) komen allerlei geestelijke noden naar voren, samenhangend met omvang en aard van de woningbouw (geluidshinder) en, in het algemeen, de moderne stadsstructuur, waarmee het groeiende Leeuwarden evenzeer wordt geconfronteerd als andere steden; een ontwikkeling, die uit sociaalgeneeskundig oogpunt een speciale, door bezorgdheid ingegeven, belangstelling vraagt.
Terug