AA | Grafisch
Nederlands | Frysk | English

Te weinig woningen


In de loop der oorlogsjaren, toen in vele gemeenten het woningtekort reeds verontrustend was geworden, heeft de secretaris-generaal van het departement van binnenlandse zaken de burgemeesters gemachtigd, op grond van artikel 3 van het algemeen vorderingsbesluit 1940, tot vordering van woningen over te gaan. Op 10 juni 1944 kwam in Leeuwarden een verordening tot stand, waarin werd bepaald, dat ieder van zijn voornemen in de gemeente Leeuwarden een perceel als woning te verhuren, de burgemeester in kennis moest stellen. Met de zorg voor de naleving van deze verordening werd de administrateur van het gemeentelijk woningbedrijf belast.

De regering in Londen, bekend met huisvestingsmoeilijkheden in Nederland, had zich beijverd de verordening ter verkrijging van woonruimte te lichten uit het algemeen vorderingsbesluit en de totstandkoming bevorderd van een besluit, dat speciaal voor vordering van woonruimte zou moeten worden benut. Dit vorderingsbesluit woonruimte van 11 september 1944 trad op 23 september 1944 in werking en is nadien tweemaal gewijzigd: op 26 september 1945 en bij de wet van 11 mei 1946.

In augustus 1945 werd in Leeuwarden, op initiatief van de wethouder van openbare werken, een bespreking gevoerd over een intensieve toepassing van het vorderingsbesluit woonruimte. In het leven werd geroepen de “commissie vordering woonruimte”, met als leden de wethouder van openbare werken, de inspecteur woningtoezicht, een commiesredacteur van de secretarie en, als niet aan het gemeentebestuur gebonden lid, dr. W.L. Brandsma, directeur van de Gemeente H.B.S., die zich verdienstelijk had gemaakt bij het ontruimen en het opnieuw doen bewonen van door de bezetter in beslag genomen percelen. De benoeming geschiedde bij besluit van 14 september 1945; de makelaar S. Hellema werd als deskundige aan de commissie toegevoegd. De dienst woningtoezicht en het gemeentelijke woningbedrijf kregen de taak een kaartsysteem van te vorderen woningruimte enerzijds en van gegadigden anderzijds aan te leggen. De administrateur van het woningbedrijf trachtte voor woningzoekenden passende woonruimte te vinden en de daarvan opgemaakte lijsten gingen via de commissie naar de burgemeester, die dan kon besluiten tot vordering van woonruimte (voor gezinnen) of inkwartiering (voor alleenstaanden).

In de plaats van de verordening van 10 juni 1944 kwam om 17 september 1945 een bij besluit van burgemeester en wethouders vastgestelde verordening. Van de hierin gegeven bepalingen week artikel 3 af van wat de vorige verordening inhield. Daarin werd namelijk bepaald, dat de aangever verplicht was de woning te verhuren aan degene, die daarvoor door burgemeester en wethouders werd aangewezen. In zijn toelichting bij deze verordening constateerde de waarnemend burgemeester, mr. J. Algera: “De overheidsbemoeiing op het stuk van de woningvoorziening zou daarmee een sluitstuk krijgen waardoor een billijke verdeling van de woningvoorraad mogelijk wordt”. Voorts wijde mr. Algera aandacht aan het eigendomsrecht en de bevoegdheid van de gemeenteraad. “Het departement is van oordeel, dat een dergelijk ingrijpen wel wat ver gaat en acht het niet onmogelijk, dat met de voorgestelde bepaling de rechter niet akkoord zal gaan. Het zou de voorkeur geven aan een voorschrift, volgens hetwelk de “vestiging” van een vergunning van gemeentewege afhankelijk wordt gemaakt. Het staat vast, dat een dergelijk vergunningsstelsel wordt toegelaten”. Daarom werd, naast de hiervoor genoemde verordening, model A, een verordening model B ontworpen, als middel om het gestelde doel te bereiken langs de negatieve weg van een vergunningsstelsel.

Toen in toenemende mate gebruik werd gemaakt van de aanwijzing van perceelsgedeelten voor samenwoning, bleek, dat steeds meer hoofdbewoners hierop reageerden door, na opname van de woning of reeds voordien, een of meer personen in huis te nemen. Een dergelijke woning was dan meestal niet meer geschikt voor medebewoning. Degenen, die zonder toestemming werden opgenomen, voldeden merendeels niet aan de door de gemeente gestelde normen. In de verordening van 16 oktober 1946 werd daarom het begrip “verhuurder” ruimer omschreven en werd anderzijds uitbreiding gegeven aan de gevallen, waarin een verhuurder tot aangifte verplicht was.

De commissie van advies deelde de woningzoekenden in de volgende groep in: 1. van elderskomenden, 2. zij die wensen te trouwen (deze categorie kwam speciaal in aanmerking voor een perceelsgedeelte), 3. de te klein behuisden, 4. bewoners van krotwoningen. De eigenaar kon uit deze groepen een keus maken.

In 1947 richten de kerken en de maatschappelijke organisaties een dringende oproep tot overheid en volk om door een uiterste krachtsinspanning het tempo van de woningbouw te versnellen en bovendien om in een offervaardige bereidwilligheid tot samenwonen - waar dit noodzakelijk en mogelijk was - de rampzalige gevolgen van de woningnood te temperen.

Op 1 oktober 1947 trad de “woonruimtewet 1947” in werking. Art. 1, lid 1 droeg het beleid inzake de doelmatige verdeling van woonruimte, bij uitsluiting van iedere andere instantie, op aan het college van burgemeester en wethouders. Bij beschikking van de minister van binnenlandse zaken van 30 augustus 1947 werd echter bepaald, dat de vergunning tot in gebruik nemen van woonruimte niet mocht worden geweigerd aan: a. ambtenaren, aan wie door de bevoegde burgerlijke of militaire gezag de gemeente als standplaats is aangewezen; b. bedienaren van de eredienst; c. personen, die in inrichtingen of kampen worden gehuisvest; d. de openbare dienst, ten behoeve waarvan na overleg met burgemeester en wethouders een woning of gebouw krachtens de algemene vorderingsverordening is aangewezen; e. de eiser, wiens eis tot ontruiming is toegewezen.

Voorts worden uitgezonderd lokalen, die door de minister van economische zaken als bedrijfsruimten zijn erkend, mitsgaders daarmee verbonden woongelegenheden.

In oktober 1947 kwam een einde aan de werkzaamheden van de in 1945 ingestelde adviescommissie. Overgegaan werd tot de instelling van een bureau huisvesting, belast met de registratie van woningzoekenden en van leeggekomen woonruimte. Dit bureau kreeg verder als taak om, na overleg met de eigenaren, wekelijks een lijst met vrijgekomen woonruimte en de daarvoor aangewezen kandidaat-bewoners voor te leggen aan een, door de raad benoemde, commissie, bestaande uit de wethouder van sociale zaken en huisvesting, drie raadsleden en de directeur van bouw- en woningtoezicht. De toewijzing geschiedde dan, met inachtneming van het advies van de commissie, door burgemeester en wethouders. Ging de eigenaar niet met de toewijzing akkoord, dan kon hij zich wenden tot een, jaarlijks door de raad te benoemen, commissie, bestaande uit vier raadsleden en de directeur van bouw- en woningtoezicht. Beroep op gedeputeerde staten was mogelijk, indien de commissie (met ten hoogste één absent lid) niet met eenstemmigheid omtrent de vordering had geadviseerd.

Het grootste naoorlogse huisvestingsprobleem betrof de bewoners van de vele één- en tweekamerwoningen, die vóór de oorlog niet in staat waren de huur van ƒ 5,- of meer per week voor de toen leegstaande woningen te betalen.

Na de oorlog werden de woontoestanden in dergelijke huisjes beschouwd als volslagen ontoelaatbaar. In een éénkamerwoning moet alles in het enige vertrek gebeuren. Geslapen wordt in de bedstee, in de kamer wordt toilet gemaakt en ontbeten. Het middagmaal, in het gangetje onder de trap bereid, wordt er genuttigd, vaak wordt de was er “gedaan” en gedroogd en dan moet er, vooral ’s avonds, ook nog iets worden gedaan aan de huiselijke gezelligheid.

In de tweekamerwoning waren de omstandigheden niet veel beter, ook al was hier soms een keukentje aanwezig en hadden enkele gezinsleden een slaapkamertje tot hun beschikking. De bedstee werd eveneens gebruikt. In beide gevallen bevond de privaatton zich vaak op de zolder. In zeer veel gevallen woonden 2 of 3 gezinnen in deze woningen.

Ruim 1600 jonge gezinnen woonden in 1948, door de woningnood gedwongen, bij ouders of derden in. Uit twee voorbeelden mag blijken hoe slecht de omstandigheden waren, waaronder ook in andere dan één- en tweekamerwoningen, geleefd moest worden:

In een kleine arbeiderswoning, bevattende: 1 woonkamer 4 x 4 m., idem 2 x 2 m. en 2 slaapkamers 2.70 x 2.40 m. + overloop 4 x2 m., wonen:

  • gezin hoofdbewoner, man 53 jaar, vrouw 53 jaar,
  • zoon 16 jaar en 2 dochters 12 en 5 jaar oud,
  • gezin schoonzoon, man 28 jaar, vrouw 26 jaar en dochter half jaar oud,
  • gezin zoon: man 27 jaar en vrouw 27 jaar.

De woonkamer wordt bewoond door totaal 10 personen. Er wordt niet afzonderlijk gekookt.

In een bovenetagewoning, nieuwbouw van begin 1948, bevattende: 1 woonkamer 4 x 4 m., 1 woonkamer 3.80 x 2.40 m., 1 slaapkamer 3.40 x 2.80 m., 1 slaapkamer 2.60 x 2.40 m. + overloop, wonen:

  • gezin hoofdbewoner: man 52 jaar, vrouw 53 jaar,
  • gezin zoon: man 26 jaar, vrouw 25 jaar en dochter 1 jaar,
  • gezin schoonzoon: man 28 jaar, vrouw 22 jaar, zoon 3 jaar en dochter half jaar.

In gemeenschappelijk gebruik zijn de beide woonkamers en de keuken.

De spanningen in al deze gezinnen werden vaak te groot. Vooral in de weekends werd dikwijls een jong gezin op straat gezet. Samen met de gemeentelijke sociale dienst moest dan een oplossing voor het uitgezette gezin worden gezocht in een logement, pension of voor vrouw en kinderen in “Praktische Hulp”.

Ook bij de samenwoningen in huizen waar dit theoretisch mogelijk moet zijn, deden zich allerlei moeilijkheden voor. In vele gevallen werden bij de vrijwillige beschikbaarstelling hoge huren gevraagd, in andere gevallen moest het inwonende gezin veel tegenprestaties leveren, waardoor een jonge vrouw, zelf vaak met een of meer kinderen, overspannen raakte. Het kwam daarnaast dikwijls voor, dat het inwonende gezin zich alle mogelijke vrijheden permitteerde en lastig was voor de hoofdbewoner.

Bij de invoering van het z.g. puntensysteem in 1952 werden punten toegekend voor het tekort aan vertrekken, het ontbreken van een eigen keuken, stookgelegenheid en waterleiding. Ook de urgentie van medische indicaties, via de gemeentelijke geneeskundige dienst ontvangen, werd in punten uitgedrukt. Datum van inschrijving en gezamenlijke leeftijd van man en vrouw gingen eveneens een belangrijke rol spelen bij de urgentiebepaling.

Om de verhouding tussen eigenaar of hoofdbewoner en aangewezen gezin zo goed mogelijk te doen zijn, werd de eigenaar een beperkte vrije keus gelaten. Hij kon van bureau huisvesting een lijstje met kandidaten krijgen of mocht zelf een woningbehoevend gezin voordragen, onder voorwaarde, dat de samenstelling van dit gezin in een juiste verhouding stond tot de inhoud van de woning en het gezin voorkwam op de urgentielijst. Ondanks deze vrijheid moesten in de eerste jaren nogal wat woningen en gedeelten gevorderd worden (ongeveer 50 per jaar).

De centrumfunctie van Leeuwarden in Friesland brengt mee, dat tal van woningzoekenden van buiten moeten worden gehuisvest. In de eerste plaats de grote groep elders wonende werknemers van de hier gevestigde bedrijven en industrieën. Ten tweede de grote groep ambtenaren, werkzaam bij rijk, provincie en gemeente. Zeer veel rijksdiensten werden in Leeuwarden gecentraliseerd; bovendien werden deze diensten uitgebreid. Het aantal militairen op de vliegbasis werd steeds groter. Het onderbrengen van gerepatrieerden uit Indonesië in contractpensions, in afwachting van het vinden van werk en huisvesting voor deze mensen, dreigde uit de hand te lopen, omdat deze pensions de aanvoer niet konden verwerken. Daarom werd een beroep gedaan op de gemeenten om meer gerepatrieerden op te nemen.

Bij de toewijzing van het woningbouwcontingent over 1951 t/m 1953 kreeg Leeuwarden: 101 woningen voor militairen, 50 woningen voor gerepatrieerden, 8 voor spoorwegpersoneel en 82 voor centrumfunctie. Aan rijksambtenaren en gerepatrieerden werd 10 procent van de gereedkomende woningwetwoningen toegewezen. In 1954 werd het door de steeds stijgende huren van de gereedkomende woningen en de verkoop van het merendeel van de leegkomende particuliere woningen moeilijk passende gezinnen van de urgentielijst voor deze duurdere woningen te vinden. Daarom besloten burgemeester en wethouders de normen te wijzigen. Woningzoekenden van buiten Leeuwarden die langer dan drie jaar stonden ingeschreven, werden op de urgentielijst geplaatst. De leeftijdsnorm (gezamenlijke leeftijd van man en vrouw) werd verlaagd van 60 tot 50 jaar. Een controlekaart, welke tweemaal per jaar moet worden afgestempeld, werd ingevoerd. Hierdoor werd een betere controle van de bij huisvesting aanwezige gegevens mogelijk.

In een brief van 21 december 1955 drongen burgemeester en wethouders er bij gedeputeerde staten van Friesland op aan alle pogingen in het werk te stellen om de impasse, waarin onze gemeente ten aanzien van het probleem van de woningnood was komen te verkeren, te doorbreken door toewijzing van extra contingenten. In dit schrijven werd er op gewezen, dat de plaatselijke woningnood leidde tot toeneming van het aantal inwoningen en het aantal uitgestelde huwelijken. Bovendien vertraagde deze nood het tempo van de noodzakelijke krotopruiming. Ook werd de natuurlijke groei van de gemeente belemmerd, omdat arbeidskrachten, die hier werkten en elders woonden, niet opgenomen konden worden, terwijl tal van goede arbeidskrachten wegtrokken, omdat ze in andere gemeenten wel woonruimte konden krijgen.

De directeur van bouw- en woningtoezicht stelde een overzicht samen van de in de eerstkomende jaren te saneren gebieden. Daaruit bleek, dat in de eerste vijf jaren ongeveer 1000 woningen ontruimd en afgebroken moesten worden. De mogelijkheden zijn echter ver achtergebleven bij de wenselijkheden, niet alleen door het ontbreken van voldoende vervangende woningen, maar ook omdat het heel moeilijk is gebleken voor de hierbij betrokken gezinnen passende andere woonruimte te vinden, passend zowel met het oog op de gezinsgrootte, het gezinsbudget als de maatschappelijke instelling. Bij het gereedkomen van de 82 woningen in het complex “Wielenpôlle” werd overleg gepleegd tussen het gemeentelijk woningbedrijf, de dienst voor sociale zaken brachten rapporten uit over de maatschappelijke en financiële omstandigheden van de gezinnen in saneringsgebieden en bewoners van onbewoonbaar verklaarde woningen. Hoewel het niet mogelijk bleek te zijn alle 82 woningen aan krotbewoners toe te wijzen, zijn toch via opschuiving evenzoveel onbewoonbaar verklaarde woningen ontruimd.

Het industrialisatiebeleid van de regering werd in 1959 gericht op de vestiging en de uitbreiding van industriële bedrijven in de zogenaamde “ontwikkelingskernen”, waarvan Leeuwarden in Friesland de grootste is. Het resultaat was tot dusver de vestiging van een aantal belangrijke bedrijven en uitbreiding van verschillende hier reeds bestaande. De hierdoor ontstane extra woningbehoefte leidde er toe, dat burgemeester en wethouders zich op 29 november 1960 tot de ministerraad en het bestuur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten richtten met een brief, waarin aandacht werd gevraagd voor de bedreiging van het industrialisatiebeleid door het nijpende woningtekort.

Voorts werd gewezen op het feit, dat het statistisch woningtekort een slecht uitgangspunt is voor de bepaling van het toe te wijzen woningcontingent. Het houdt namelijk geen rekening met het grote aantal krotwoningen en andere binnen afzienbare tijd te vervangen woningen. In de tweede plaats wordt geen rekening gehouden met het grote aantal woningzoekenden van buiten de gemeente: werknemers industrie, leerkrachten, ambtenaren enz. Bovendien gaat het voorbij aan het aantal woningbehoevende trouwlustigen, wier vertrek geheel in strijd zou zijn met het pogen de industriële bedrijvigheid hier te versterken.

Tientallen werknemers vonden woonruimte in de omliggende gemeenten, aan militairen, werkzaam op de vliegbasis, werden nieuwe woningen in Hardegarijp en Harlingen toegewezen. De ministers van maatschappelijk werk en van volkshuisvesting en bouwnijverheid overwogen de woonruimtewet 1947 voor alle 101 Zeeuwse gemeenten en 28 gemeenten buiten werking te stellen (Rondschrijven 19 januari 1960).

In het jaar 1961 steeg in Leeuwarden, ondanks het gereedkomen van ruim 850 woningen, het aantal gedwongen samenwoningen tot 675; ook het aantal bewoonde onbewoonbaar verklaarde woningen nam toe. Toen in 1962 slechts 329 nieuwe woningen gereedkwamen, waartegenover 197 woningen onbewoonbaar verklaard werden, terwijl 77 woningen aan hun bestemming werden onttrokken, werd de toestand nog slechter. Door z.g. opschuiving werd getracht nog zoveel mogelijk gezinnen aan passender woonruimte te helpen, hoewel dit uiteraard geen invloed had op het tekort. De duplexwoningen, welke oorspronkelijk aan jonge gezinnen waren toegewezen, werden in de afgelopen jaren bij vrijkomen toegewezen aan bejaarden. Er bleek een tekort aan dit soort kleine woningen te bestaan en het was daarom gelukkig, dat in de latere bouwplannen op de begane grond woningen voor bejaarden werden geprojecteerd. Op deze manier konden heel wat grotere woningen beschikbaar komen voor gezinnen met kinderen.

De na de oorlog ingetreden gezinsverdunning ging door, zodat voor hetzelfde aantal inwoners steeds meer woningen nodig zijn. Bovendien worden de huwelijken de laatste tijd op jeugdiger leeftijd gesloten. Een snellere groei van het aantal huisgezinnen is hiervan het gevolg, ook een stijging van het aantal inwoningen.

Als we nu, 20 jaar na de oorlog, de balans opmaken, dan zien we, dat in deze jaren 8881 woningen werden gebouwd. In dezelfde tijd werden 1287 krotten ontruimd en/of afgebroken, terwijl 958 woningen aan hun bestemming werden onttrokken. Per saldo werd de woningvoorraad dus met 6636 woningen, of 330 woningen per jaar, vermeerderd. De krotopruiming en sanering worden geremd door de woningnood. In plaats van 200 woningen per jaar, zoals in 1955 door de directeur van bouw- en woningtoezicht als minimum was voorgesteld, zijn gemiddeld slechts 125 krotten per jaar ontruimd.














































De verplaatsing van de gezinnen is vooral de laatste jaren, na rapportering door de dienst voor sociale zaken, zo goed mogelijk en in overleg met de bewoners geschied. De onttrekking van 950 woningen aan woonruimte was noodzakelijk, in verband met de uitbreiding van diverse bedrijven en zaken, aanleg van wegen en straten, en sanering.

Woningnood in cijfers

1-1-’50

1-1-’55

1-1-’60

1-1-’65

Bewoonde onbewoonbaar verklaarde woningen

151

211

121

259

Woningen in saneringsgebieden

2.342

2.202

1.440

602

Gedwongen inwoningen

1.415

1.154

552

620

Trouwplannen

666

803

654

860

Uit andere gemeenten op te nemen gezinnen

640

681

426

612

Woonschepen en -wagens

125

117

98

102


Het aantal inwonende gezinnen (± 500 in september 1965) is belangrijker lager dan in de eerste jaren, bovendien zijn de omstandigheden, waaronder gewoond moet worden, meestal beter. Voor de ergste gevallen wordt n.l. in de laatste jaren vaak een oplossing gevonden in de slechter verhuurbare percelen. Dit zijn nog niet onbewoonbaar verklaarde woningen in saneringsgebieden.

Ook is de norm om voor zelfstandige woonruimte in aanmerking te kunnen komen m.i.v. 1 november 1965 verlaagd van 50 tot 45 jaar (gezamenlijke leeftijd van man en vrouw). Aan ongeveer 100 werkende alleenstaanden kon in de afgelopen jaren zelfstandige woonruimte worden gegeven. De groep woningzoekenden van buiten Leeuwarden (± 600 in september 1965) blijft al jaren op hetzelfde aantal, ondanks de toewijzing van 200 woningen per jaar aan deze gezinnen. Vele werkgevers zien nog hun vakbekwame werknemers naar elders vertrekken, omdat daar werk met een woning wordt aangeboden. Militairen, werkzaam op de vliegbasis, krijgen woonruimte toegewezen in andere gemeenten in Friesland. In Leeuwarden staan geen nieuwe woningen leeg, dit in tegenstelling met vele andere gemeenten in Nederland. Geldschaarste en hoge hypotheekrente remmen wel de verkoop van particuliere woningen, met het gevolgd, dat deze huizen te lang leeg staan.

Volgens een prognose van het E.T.I.F. (deze prognose komt overeen met de werkelijke behoefte in 1965) moet Leeuwarden in 1970 woonruimte hebben voor 28.900 gezinnen. Het aantal woningen per november 1965 bedroeg 25.150. Per jaar moeten dus netto, na aftrek van ongeveer 250 woningen voor krotopruiming en 50 woningen wegens onttrekking aan de voorraad, 750 woningen gebouwd worden. Per 31 december 1965 waren 1065 woningen in uitvoering. Het is waarschijnlijk, dat meer dan de helft van deze woningen, in 1966 worden opgeleverd. De huur van deze woningen zal volgens raming vrij hoog zijn (van ƒ 160,- tot ƒ 180,- per maand inclusief verwarming). De meeste gezinnen, die door de woningnood bedreigd worden, zullen deze huren niet kunnen betalen. Het zal van de aantrekkelijkheid van deze nieuwe woningen afhangen, of er voldoende doorstroming zal kunnen plaatsvinden.

Terug

 



RECHTSTREEKS NAAR: