Gemeente Leeuwarden wilde groot bos in de Bullepolder
Veel heeft het niet gescheeld of het nu nog vlakke landschap ten zuidoosten van Lekkum had al een halve eeuw geleden plaatsgemaakt niet voor een stadswijk, maar voor een groot loofbos, afgewisseld met weiden en waterpartijen. Bij de inventarisatie van het gemeentelijke secretariearchief kwam kort geleden een al lang vergeten plan te voorschijn, dat voorzag in een uitgestrekt bosgebied in en om de Bullepolder.
De discussie over een bos ten noorden of noordoosten van de stad begon kort na de oorlog. Er moest worden nagedacht over een nieuwe bestemming voor de gronden ten zuiden van het Leeuwarder vliegveld, een gebied dat slechte herinneringen aan de bezettingstijd opriep. It Fryske Gea, de provinciale vereniging voor natuurbescherming, opperde in oktober 1945 om "een deel van het grote vliegveld bij Leeuwarden" te bestemmen voor bos.
It Fryske Gea gooide een aantal argumenten voor dit bosplan in de strijd. De vele Friese gepensioneerden die in die tijd nog naar Gelderland trokken, zouden liever in Leeuwarden blijven als de stad aantrekkelijke recreatiegebieden kreeg. Er zou op deze vruchtbare bodem bovendien hout van eerste kwaliteit groeien, aldus de vereniging. In een brief aan het Leeuwarder gemeentebestuur pleitte It Fryske Gea voor een bos van minstens 100 hectare.
De reactie van het gemeentebestuur liet niet lang op zich wachten. Met grote voortvarendheid werd een bijeenkomst georganiseerd tussen vertegenwoordigers van it Fryske Gea, de directeur gemeentewerken en de houtvester van Staatsbosbeheer. Op zaterdag 20 oktober 1945 was het zover. Van gemeentekant betoogde men dat de bomen een beletsel zouden vormen voor het nabije vliegveld. Het was immers niet de bedoeling het vliegveld te bebossen, maar een stuk grond tussen vliegveld en stad. De "luchtvaartautoriteiten" zouden met dergelijke plannen wel eens niet akkoord kunnen gaan.
Het was de gemeente Leeuwarden zelf die vervolgens met een alternatief kwam, oostelijk van de stad. Een deel van de terreinen bij het vliegveld was al weer in gebruik terug gegeven aan de vroegere eigenaren, zodat ook het terugvorderen van deze grond wel problemen zou gaan opleveren.
Alle aanwezigen waren het er over eens dat het bosplan zoveel mogelijk moest worden gestimuleerd. Eigenlijk lag hier een taak voor de Provinciale Planologische Dienst, maar deze had zo kort na de oorlog nog andere dingen te doen. Wilde er van de plannen iets terecht komen, dan moest men niet wachten op de PPD, maar zelf aan de slag. Voorgesteld werd een commissie te vormen onder voorzitterschap van de wethouder van Openbare Werken, D. Witteveen. Naast M. Wiegersma van It Frykse Gea, houtvester J. Vlieger van Staatsbosbeheer, de directeur Gemeentewerken ir. C.C. van der Vlis en de plantsoenopzichter A.M. van Essen zouden in de commissie ook vertegenwoordigers van de ANWB en de VVV aanschuiven. Overigens zou even later toch ook de directeur van de PPD aan de werkzaamheden van de club deelnemen.
Het duurde uiteindelijk tot 7 augustus 1947 voordat de commissie beviel van een vertrouwelijke nota over de aanleg van een bos in de omgeving van Leeuwarden. Een gebied van ruim 124 hectare ten zuidoosten van Lekkum werd in deze nota tot bos bestemd. In de nota werd een vergelijking gemaakt tussen Leeuwarden en andere steden, waarbij het schrijnend gebrek aan groen in en om de stad pijnlijk duidelijk werd. Was dit in Leeuwarden 3,5 m2 per inwoner, in Groningen was dit 8,5 in Zwolle 9, in Deventer 13 en in Amersfoort 22. De nota refereert ook aan eerdere plannen voor bosaanleg uit de periode 1932-1940, toen er plannen waren om 100 hectare aan te leggen in het kader van de werkverschaffing.
De commissie achtte de aanleg van een voor de stedelijke bevolking goed bereikbaar bos "in de hoogste mate urgent". Gezien de omvang van Leeuwarden ging de gedachte van de commissie aanvankelijk uit naar een bos van ca. 400 hectare. "Rekening houdend met de tijdsomstandigheden" besloot men echter vooreerst maar eens te kiezen voor een bos van 125 hectare.
Interessant is dat men niet koos voor een aaneengesloten bosgebied, maar een bos afgewisseld met weide.
De leden van de boscommissie achtten het gebied tussen Lekkumerweg, Molensloot, Ouddeel en Groningerstraatweg uiteindelijk het meest geschikt Voor een evenwichtig landschap zou ook aan de zuidzijde van de Groningerstraatweg een strook bos van 25 meter diep moeten worden aangelegd. Juist omdat het gebied gelegen was op de overgang tussen zeeklei en laagveen kon het nieuwe landschap een heel aantrekkelijk karakter krijgen. Het bos werd voorgesteld als een loofhoutbos, met vooral es, eik en beuk.
Voor het nieuwe Leeuwarder bos zou voor een bedrag van 375000 gulden aan terreinen moeten worden aangekocht, terwijl de aanlegkosten op 120000 gulden werden geraamd. Een en ander zou voor een belangrijk deel als werkgelegenheidsproject uitgevoerd kunnen worden.
Al gauw bleek echter dat de gemeentefinanciën roet in het eten gooiden. Het gemeentebestuur durfde met het oog op de onzekerheden rond de financiële situatie geen besluit te nemen. Daarmee was het bosplan echter niet van de baan.
De ijverige directeur gemeentewerken Van der Vlis diende nog op 24 november 1949 een meer uitgewerkt bosplan in, waarbij hij rekening hield met de bezwaren van agrarische kant en vooral de ruimte en het perspectief in het bosplan flink verbeterde door enkele grote waterpartijen in het plan op te nemen. Met de voor de vijvers uit te graven grond wilde hij het omliggende terrein ophogen. Op de aldus gevormde helling zou een paviljoen met mooi uitzicht over de omgeving kunnen worden gebouwd. In het middendeel van het bos wilde Van der Vlis ruime weidegebieden uitsparen. Hij verwachtte veel van de coulissewerking die het landschap daardoor zou krijgen. Van de twee boerderijen in het gebied, zou op deze wijze er in ieder geval één in stand kunnen blijven.
Het bosplandossier vertoont na dit laatste plan een gat van ruim twee jaar. Maar er zijn blijkbaar toch verdere voorbereidingen getroffen voor de uitvoering van het plan.
In januari 1952 moet een ongetwijfeld teleurgestelde Van der Vlis aan het gemeentebestuur meedelen dat de pogingen om tot een ruiling van grond te komen met één van de grootste grondeigenaren in het gebied, het St. Anthony-Gasthuis, op niets waren uitgelopen. Het bestuur van het St. Anthony-Gasthuis vond de ruil om economische redenen niet aantrekkelijk en wilde daarom niet ingaan op het gemeentelijk voorstel.
Na 1952 is van het bosplan nooit meer iets vernomen. Latere plannen voor dit gebied gingen al gauw in een andere richting. Al op een situatieschets van 1955 is dwars door het gebied tussen Lekkum en Snakkerburen van oost naar west de rijksweg Groningen-Harlingen geprojecteerd, de zgn. Noord-tangent. De droom van Van der Vlis, een bos in de Bullepolder, was uit. De ambities van het gemeentebestuur gingen in deze tijd van wederopbouw een andere kant op. Het arcadische landschap van nieuw aangelegde bossen, waterpartijen en weiden ten noordoosten van de stad was voorgoed achter de geestelijke horizon van de bestuurders verdwenen.
Terug