De relatie tussen archief en geheugen
Tekstuele weergave van de lezing die door Prof. dr. Douwe Draaisma - hoogleraar geschiedenis van de psychologie aan de Rijks Universiteit Groningen - werd gehouden ter gelegenheid van de officiële opening van het Historisch Centrum Leeuwarden op 30 november 2007.
Als dit je geheugen mocht zijn. Een ruime kamer. Het licht valt door hoge vensters. Het is er schoon en ordelijk. Je herinneringen staan in rijen langs de wand, zorgvuldig bijgehouden, opgetekend, geïndexeerd. Loop er maar heen, pak een boek, een doos, een map. Je bladert wat en al snel hou je in handen wat je zocht. Je loopt ermee naar de tafel maakt de strikken los en spreidt de vondst uit over het glanzende blad. Ga er maar even bij zitten, je hebt alle tijd, het kussentje dient het gerief. Het is er stil, je bent de enige bezoeker.
Als je uitgelezen bent vouw je de papieren weer bijelkaar, strikt de linten en zet de map terug. Je kijkt nog even de kamer rond, je blik glijdt langs de banden die stemmig oplichten en dan trek je de deur achter je dicht, in het kalme besef dat alles wat hier staat tot jouw volgende bezoek onaangeroerd zal blijven. Want je weet: als ik hier niet ben, is er niemand.
Het is misschien niet ieders diepste verlangen een geheugen te hebben dat eruitziet als deze kamer in het Drents Archief, kort na 1900. (Een kamer trouwens die, hoorde ik pas later, intern bekend staat als ‘de bovenkamer'.) Maar denk je eens in: een geheugen waarin herinneringen stofvrij bewaard blijven, gevouwen in zuurvrij papier, met de juiste klimaatbeheersing, met een index die het terugzoeken vergemakkelijkt en vooral met een vasthoudendheid die garandeert dat ook een nooit opgevraagd stuk waar we na vijftig of zestig jaar opeens aan denken toch tevoorschijn komt. Wie koestert niet het ideaal van een geheugen waarin herinneringen veilig zijn?
Dat ideaal moeten ook archivarissen voor ogen hebben, want heel wat archivarissen vergelijken hun werk met het beheer van een geheugen. Het Drents archief bijvoorbeeld noemt zich in haar folders en brieven ‘het geheugen van de Drentse samenleving' en zo zijn er wel meer archieven die zich het geheugen van een stad, een streek, een provincie of een heel land noemen.
Wat maakt die metafoor zo verleidelijk? In de eerste plaats natuurlijk dat de relevantie van je eigen vak al ingebakken zit in de vergelijking. Iedereen weet van de innerlijke ravage die ontstaat als iemand zijn geheugen begint te verliezen. Het geheugen is het centrum van onze identiteit, van ons gedrag en beleven. En het is ook waar dat we vaak zouden wensen - om de metafoor een halve slag te draaien - dat ons geheugen beheerd werd met de zorgvuldigheid van een archief.
Maar de realiteit is dat een geheugen weinig wegheeft van een archief. Herinneringen staan niet op een rij, kennen geen chronologische ordening en vormen ook geen rubrieken. Herinneringen hebben niet het alles-of-niets-karakter van een dossier dat al dan niet aanwezig is: ze kunnen de ene keer wel voorhanden zijn en een andere keer niet. Herinneringen kunnen inelkaar schuiven of uitelkaar vallen, over elkaar heen komen te liggen. En het belangrijkste verschil: het geheugen is eindig. Weleens gehoord van een archief dat van het ene moment op het andere in het niets opging toen degene die het had aangelegd overleed?
Eergisteren was bij de buren Hylke Speerstra te gast. Ik geloof niet dat er hier in Friesland iemand is die indringender de urgentie voelt van het in veiligheid brengen van herinneringen uit zeer oude geheugens. Hij deed dat al in de jaren zestig bij schippers die toen in de negentig waren en nog konden vertellen over de zeilvaart op Scandinavië. In die verhalen stormde het natuurlijk altijd, zo gaat dat met herinneringen, maar hun belevenissen werden net op tijd vastgelegd, want soms waren bij de verschijning van het boek alweer een handvol van die mensen overleden.
Ik denk dat ieder van ons leeft met een gevoel van spijt dat herinneringen eindig zijn. Wie zou er, als deze - mijn - generatie weg is nog wel eens aan Douwe Bijlsma denken, beter bekend als ‘slappe Douwe'? Zijn podium was het Zaailand, de vrijdagsmarkt. Hij werkte als boeienkoning en fakir, wurmde zich uit kettingen die mensen uit het publiek, voornamelijk boeren, al een beetje boven hun theewater door het bezoek aan de grote stad of de Beerenburgjes waarmee in alle vroegte de handel beklonken was, zo strak mogelijk om zijn lijf hadden getrokken. Slappe Douwe, want de kettingen gingen om een gespierde man, de Douwe die ontsnapte leek de lucht uit zijn spieren te laten lopen en glipte zo kronkelend uit de boeien. Ook ging hij wel plat op de grond liggen, een spijkerbed op zijn lichaam, en liet daar mensen overheen lopen. Dit moet ik ooit hebben gelezen in 't Kleine Krantsje, dat trouwens helemaal niet zo klein was, met de foto's erbij. Ik heb hem nooit zien optreden. Het enige wat ik me van hem persoonlijk herinner is Slappe Douwe als ouwe man, hij woonde in de Van Loonstraat in Huizum, vlak bij ons, als ik naar school fietste zag ik hem wel eens kolenscheppen, op van die bruine instappantoffels.
Of zou er nog wel eens iemand aan - andere Douwe - Douwe Bruinsma denken, de goedgemutste brugwachter van de Vrouwpoortsbrug? Hij moet in heel wat geheugens zitten, niet alleen hier in Leeuwarden, in heel Nederland, van bootjesvolk vooral. Mensen die voor het eerst Leeuwarden binnenvoeren, in hun plezierjachtjes, en van de Westersingel afkwamen, kregen pas op het allerlaatste moment, net na de bocht naar de Vrouwpoortsbrug, de Oldehove vol in het zicht en konden dan maar zelden de verbaasde uitroep onderdrukken: ‘Brugwachter, wat staat die toren scheef!' Douwe Bruinsma keek dan verschrikt even over zijn schouder en zei: ‘Ferrek, dat mut fannacht gebeurd weze!'
Of zou er nog wel eens iemand aan Douwe Draaisma denken, tot aan 1950 brigadier van politie te Leeuwarden. Hij moet, in functie uiteraard, geregeld hier in de buurt zijn geweest, want voordat de Boterhoek de waardige bestemming van bibliotheek en archief kreeg was dit het kwartier van drank, prostitutie, handel en vechtpartijen. Mijn opa moet ze hebben opgebracht, de drinkebroers en klaplopers, de Kleine Kerkstraat door naar het Hoofdbureau aan de Nieuwstad. Misschien is er hier en daar nog een hoogbejaarde Leeuwarder die hem in functie heeft meegemaakt, maar ook die herinneringen zullen snel verdwijnen.
Het probleem met het menselijk geheugen: je hebt er zelf zo weinig over te zeggen. Het archiveert van alles wat eigenlijk wel weg kon en het laat geruisloos verdwijnen wat juist bewaard moest worden. Niemand heeft dat duidelijker aangegeven dan de Duitse filosoof Kant - niet in zijn filosofische werk, maar in zijn persoonlijke leven.
Gedurende veertig jaar had Kant zich in zijn vrijgezellenleven laten bijstaan door een trouwe huisknecht. Zijn naam was Martin Lampe, oud-soldaat in het Pruisische leger en gezegend met het gevoel voor punctualiteit dat Kant zo op prijs stelde. Helaas rees in 1802, Kant was toen al 78 jaar, een kwestie tussen beide heren. Drie biografen, tijdgenoten, hebben in het midden gelaten wat die kwestie was, al waren er geruchten over drankzucht, in ieder geval voelde Kant zich gedwongen Lampe te ontslaan. De bediende werd opgevolgd door opnieuw een gewezen soldaat, aan wiens harde stem Kant in de twee jaar die hem nog restten niet meer heeft kunnen wennen.
Kant had een half leven met Lampe gedeeld. Lampe: dat was om vijf uur ‘s ochtends de klop op de slaapkamerdeur (‘Es ist Zeit!'). Lampe: dat was het sein dat het middagmaal gereed stond (‘Die Suppe ist auf dem Tische!'). Lampe: dat was de hand die het regenscherm aanreikte, de zilveren schoengespen poetste, de deur opende voor gasten, de pruik poederde, de ganzeveren bijpuntte. Lampe uit zijn huis zetten, dat lukte Kant, Lampe uit zijn gedachten zetten niet. Geprobeerd heeft hij het wel, uit alle macht zelfs, wat we weten door de vondst, kort na zijn dood, van een notitie in zijn studeerkamer. Daarop stond: ‘Der Name Lampe muß nun völlig vergessen werden'
Veel schrijvers, dichters en filosofen hebben onze machteloosheid tegenover het geheugen proberen uit te drukken, nimmer gebeurde dat aandoenlijker dan door deze instructie. Jezelf voorhouden dat je eens moet ophouden aan iets te denken is één ding, jezelf schriftelijk herinneren aan wat je moet vergeten is nog een machteloze stap verder. Waar het ons aan ontbreekt is een vergeettechniek.
Het omgekeerde, een onthoudtechniek, hebben we ook niet echt, tenminste niet als het om het autobiografische geheugen gaat, het geheugen voor de eigen lotgevallen. Voor de onnozelste dingen bestaan ezelsbruggetjes en geheugensteuntjes, van de volgorde van de waddeneilanden tot de rangschikking van de Amsterdamse grachten, maar onze herinneringen zijn weerloos overgeleverd aan krachten waar we geen vat op hebben. Wie het autobiografische geheugen probeert te commanderen, dat van zichzelf of dat van een ander, kan net zulke curieuze uitkomsten bereiken als Kant. Nico Scheepmaker tekende ooit de eerste herinneringen op van mensen in zijn omgeving. De Amsterdamse schilderes Arja van den Berg heeft als haar vroegste herinnering dat haar moeder haar bij een of andere gebeurtenis indringend aankeek en zei: ‘Dit moet je je altijd blijven herinneren!'. Dat weet ze nog goed, dat haar moeder dat zei.
En dan is er nog al dat vergeten waar je niets van merkt. Van die drie Douwes moet ik me ooit veel meer herinnerd hebben dan ik nu doe. Vergeten heeft iets heimelijks, iets steels, en dat komt omdat vergeten ook de sporen van het vergeten uitwist. In dit opzicht heeft het geheugen veel weg van het gezichtsveld. Als je gezichtsveld, door wat voor oorzaak dan ook, begint te krimpen zie je dat zelf niet. Je kunt de gevolgen opmerken, doordat je tegen dingen begint aan te botsen die je tevoren zou hebben gezien, maar de versmalling van je gezichtsveld kun je niet zien, het heeft geen randen. Op dezelfde wijze zie je in je geheugen geen leegte. Soms merk je de gevolgen, realiseer je je opeens dat je iets niet meer weet dat je tevoren nog wel wist, maar wat verdwenen is heeft geen open plek achtergelaten. Alleen daarom al is een geheugen geen archief: als er iets verdwijnt sluit wat er nog is op magische wijze weer aan, zodat alles nog even compleet lijkt als tevoren. Je beweegt je al associërend door je geheugen, er is geen andere manier, en associaties zijn nu eenmaal verbonden met wat er nog wel is. Associaties voeren je nooit langs lege plekken, want lege plekken houden op een associatie te zijn. Het beeld van een haperend of beschadigd geheugen als iets met gaten, hiaten, lacunes, is het beeld van een buitenstaander. Voor de innerlijke blik is het geheugen altijd vol.
In een documentaire van Tamara Miranda, Tegen het vergeten, komt een zekere mevrouw De Roode voor. Zij heeft in haar leven honderden reizen gemaakt. Van al die reizen heeft ze reisverslagen bijgehouden die ze ook allemaal heeft bewaard. Plus: alle tickets en toegangsbewijzen, plus: alle menu's en plattegronden, plus: alle ansichtkaarten en foto's. Alles ligt gearchiveerd in mappen en dossierdozen die de wanden van haar appartement bedekken. Op tafeltjes en in kasten staan nog eens honderden aandenkens en souvenirs. Bij alles wat ze oppakt hoort een verhaal. Als ze zich door de kamer beweegt, moeizaam, in een rolstoel, een droevig contrast met haar vroegere mobiliteit, kan ze bij alles wat ze oppakt een verhaal vertellen: waar ze het kocht, van wie ze het kreeg. Het lijkt alsof haar geheugen binnenstebuiten is geklapt: alles wat ze ziet en uit die archiefdozen tevoorschijn haalt is verbonden met associaties, zodat haar herinneringen als het ware om haar heen staan. Dat levert het beeld op van een curieus, gevarieerd, maar ook volkomen persoonlijk archief: het zijn haar herinneringen die er de betekenis aan geven, zonder haar geheugen zouden ze volkomen betekenisloos worden, zoals ze zelf ook wel beseft. Dat is het lot dat alle memento's, aandenkens en souvenirs gemeen hebben, hun prullerigheid zonder het verhaal.
Op zeker moment moet mevrouw De Roode verhuizen van haar ruime appartement in Helpman, Groningen, naar een kamer waarin geen plaats is voor haar verzameling aandenkens, het meeste zal weg moeten. Maar hoe dat aan te pakken. Wat mag mee? Er komt een jongen langs met een notitieblok om te helpen inventariseren. Mevrouw De Roode en hij staan samen voor een wand met mappen. En dan doet ze een aandoenlijk voorstel: ze vraagt de jongeman of ze niet vast uit elke map wat weg kunnen halen, zodat alle mappen iets dunner worden en ze toch allemaal mee kunnen.
Dat werkt uiteraard niet, maar haar voorstel is een volmaakt beeld voor wat er gebeurt in een geheugen waaruit herinneringen beginnen te verdwijnen. Hoeveel er door verval ook uit de mappen wegraakt, het blijft toch de complete verzameling mappen, er lijkt niets weg.
En dan is er nog een ander verschijnsel dat zich in het menselijk geheugen voordoet en dat geen parallel heeft in archieven, bibliotheken of historische verzamelingen. We veranderen omdat onze herinneringen veranderen, zonder dat we dat zelf in de gaten hebben.
In 1962 begon de psychiater Daniel Offer in Chicago een langlopend onderzoek naar de psychologische ontwikkeling van een groep tieners op hun weg naar volwassenheid. Hij interviewde 73 jongens in de eerste klas van het middelbaar onderwijs - toen ze een jaar of dertien waren - en volgde ze daarna nog vier jaar nadat ze van school waren gekomen. Vijfendertig jaar later, in 1997, zocht hij de groep weer op en vond een kleine zeventig mannen bereid om zich opnieuw te laten interviewen. Ieder interview nam ruim vier uur in beslag. Het bestond voor een deel uit dezelfde vragen die ook in 1962 waren gesteld. Zulke onderzoeken zijn wel meer gedaan. Ze maken duidelijk dat opvattingen en overtuigingen in de loop van een leven aan sterke veranderingen onderhevig zijn. Maar Offer gaf aan zijn onderzoek een opwindende draai door een op het oog curieuze instructie aan de geïnterviewden: ze werden verzocht zich terug te verplaatsen in de jongen die ze destijds waren en het antwoord te geven dat passend zou zijn voor hoe ze er toen over dachten. Een van de vragen in 1962 was: wie is je moeders oogappeltje, jij of een van je broertjes of zusjes? Nu luidde de vraag: toen je dertien was, wie dacht je toen dat je moeders oogappeltje was? De man van achtenveertig moest de jongen die hij destijds was in zichzelf oproepen en proberen te antwoorden naar de waarheid van vijfendertig jaar geleden.
In de interviews kwam werkelijk van alles aan de orde. Het ging over hun denken en beleven als dertienjarige jongen, hun zelfbeeld en persoonlijkheid, hoe ze dachten over seksualiteit en meisjes, over vrienden en hobby's, hun positie in het gezin en de klas, hun opvoeding, het karakter van hun ouders en hun ideeën over het geloof.
Een terugblik over een afstand van vijfendertig jaar, zo bleek, doet iets dramatisch met je herinneringen. Een paar grepen. Na de vraag ‘Wie denk je dat je moeders oogappeltje was, jij of een van de andere kinderen?' antwoordt 30 procent van de mannen: ‘Ik'. Twee keer zoveel als in 1962. Heel wat mannen van middelbare leeftijd waren met terugwerkende kracht mama's lievelingetje geworden. Van de jongens vond 70 procent destijds dat ze meer op hun vader leken dan op hun moeder, bij de achtenveertigjarigen is dat fifty-fifty. Bij veel vragen is de discrepantie tussen toen en nu een verdubbeling of halvering. De achtenveertigjarigen beschrijven de opvoeding door hun vader twee keer zo vaak als streng. Wie van de ouders neemt (nam) de meeste beslissingen thuis: een forse verschuiving in het voordeel van de moeder. Het ‘ja' op de vraag of je thuis wel eens een tik kreeg zakt van 82 naar 33 procent.
Veel van het onderzoek naar het autobiografisch geheugen legt de nadruk op de betrouwbaarheid van herinneringen. In sommige situaties is die betrouwbaarheid van groot belang, bijvoorbeeld in getuigenverklaringen, maar voor veel herinneringen zijn heel andere eigenschappen van belang. Herinneringen hebben de neiging in de loop van het leven te veranderen, inderdaad, maar dat herinneringen veranderen is welbeschouwd nog het minst interessant, je wilt weten hoe ze veranderen en waarom.
Neem die na vijfendertig jaar twee keer zo vaak als streng beoordeelde vaders. Misschien hebben die achtenveertigjarigen in gedachten hun jaren-vijftig vaders naast de jaren-tachtig vaders gehouden die ze zelf waren geworden, misschien zagen ze zichzelf wel als zo'n ‘ik ben de beste vriend van mijn zoon-vader'. Door die vergelijking werden hun eigen vaders in hun herinnering strenger dan ze destijds waren. Ik zie daarin een parallel met de zwart-wittelevisie. Tot de komst van de kleurentelevisie had niemand een zwart-wittelevisie - je had televisie. Punt. In wijsgerige zin kwam de zwart-wittelevisie na de kleurentelevisie. Op dezelfde manier hadden veel van die dertienjarige jongens geen strenge vaders, die werden pas streng door de komst van wat mildere conventies in de opvoeding. Het is hetzelfde effect dat met zich mee kan brengen dat iemand zich met terugwerkende kracht een sobere jeugd herinnert die hij destijds helemaal niet zo ervaren heeft.
Wat is hier waarheid? Wat is hier betrouwbaarheid? Het zijn de verkeerde vragen. Ons geheugen zit vol zwart-wittelevisies. Dat de herinneringen aan je vader of moeder op je achtenveertigste anders zijn dan op je dertiende betekent niet dat die herinneringen, die van nu of die van destijds, ‘onbetrouwbaar' zijn, ze bewijzen eerder dat je geheugen je voorziet van een verleden waarin mensen en gebeurtenissen van betekenis kunnen veranderen. De werkelijke asymmetrie tussen jong en oud is dat de laatste in veel ruimere mate heeft kunnen ervaren dat met het ouder worden zijn verleden net zo veranderlijk is gebleken als de toekomst. En inderdaad, dat mag je wel een ernstig geval van wijsheid achteraf noemen.
Herinneringen gaan over het verleden. Of je nu terugdenkt aan een terechtwijzing die je veertig jaar geleden van een onderwijzer kreeg of je probeert te herinneren wat er gisteravond gebeurde, herinneringen verwijzen naar iets dat achter je ligt. En omdat het verleden - gebeurd is gebeurd - nu eenmaal vastligt heb je de neiging een herinnering die je erop betrapt dat hij is veranderd op te vatten als onbetrouwbaar. Het is maar al te verklaarbaar: herinneringen zien we als een registratie van wat we hebben beleefd, als iets dat we hebben bijgeboekt in ons geheugen en als in die boekhouding in de loop van de tijd discrepanties optreden kunnen we blijkbaar niet op die herinneringen vertrouwen.
Onze intuïties volgen hierin een verleidelijk maar misleidend syllogisme. De premissen zijn waar: herinneringen gáán over het verleden en dat verleden verandert niet meer - en toch klopt de conclusie niet. Elke herinnering sluit een contact tussen twee polen in de tijd. Wat je je herinnert kan gisteren of een halve eeuw geleden zijn gebeurd, dat je je die gebeurtenis herinnert speelt zich af in het heden. Je iets herinneren doe je nu. In de herinnering verschijnt daardoor niet alleen iets van je vroegere zelf in het heden, maar komt omgekeerd ook iets van je gevoelens en gedachten van dit moment in de herinnering terecht. Herinneringen zijn geen dossiers die na inzage weer terug het geheugen in gaan zoals ze er zijn uitgekomen. Ze veranderen in gebruik. En de herinnering aan een en dezelfde gebeurtenis kan afhankelijk van je stemming van het moment verschillend aanvoelen. Het geheugen, schreef Nicolaas Matsier, ‘is als een kok die een maaltijd opdient: gewoon gemaakt van wat zoal voorhanden is. Maar het is nooit dezelfde maaltijd.'
In deze koksmetafoor is de archivaris verder weg dan ooit. Wat is dan wel de relatie tussen geheugen en archief? Die is dat herinneringen en archiefstukken zo dicht mogelijk bijelkaar moeten blijven. De souvenirs van mevrouw De Roode waren alleen souvenirs zolang ze herinneringen opriepen. Neem het verhaal weg en je houdt een prul over. Met foto's gebeurt hetzelfde. Op een rommelmarkt of de kijkdag van een veiling kun je soms plotseling met een oud fotoalbum in je handen zitten.
Het is zo te zien aangelegd aan het einde van de negentiende eeuw, zo lang geleden dat je zeker weet dat iedereen in dit album, ook de jongste, dat meisje daar links, nu dood is. Zelfs de mensen die zich deze mensen ooit herinnerden zullen nu dood zijn. Hoe zulke albums tussen de rommel terecht zijn gekomen blijft vaak in het vage. Misschien waren er geen nazaten meer, misschien hechtten ze geen belang aan foto's van nooit ontmoete familieleden. De foto's zijn hun verleden niet. Het geheugen mag je je voorstellen als de kijker van een stereoscoop. Herinneringen geven diepte aan de foto's die je erin schuift, spannen een derde dimensie op, ze trekken de blik naar binnen, alsof je je even in de afbeelding bevindt en omgang hebt met wat daar te zien is. Zonder herinneringen valt iedere suggestie van perspectief weg. Net als de souvenirs van mevrouw De Roode hebben foto's herinneringen nodig.
En dus: verhalen. Wat Leeuwarden nodig heeft is een Speerstra, hij doet het platteland, de provincie, hij kan niet alles alleen doen. Hier in de stad moeten we de verhalen bij de spullen zien te krijgen en daarvoor moeten we te rade gaan bij geheugens, de oudste het eerst. Ik wens het Historisch Centrum Leeuwarden een rijke oogst toe.
Terug