Snakkerbuorren
(ûndersteande tekst is (noch) net beskikber yn it Frysk)
Uit: ’Langs Dokkumer Ee, tussen Bonke en Ake. Monumenten in en rond Lekkum, Miedum en Snakkerburen. Leeuwarden, 1996.’ Hoe is de opkomst van Snakkerburen te verklaren? We mogen gerust aannemen dat op Snakkerburen reeds op het eind van de Middeleeuwen boeren of in ieder geval koemelkers hebben gewoond. Misschien waren ze op één hand te tellen, maar dit is reeds genoeg om van een buurtschap te spreken en er een naam aan te geven. De naam Snakkerburen, die voor het eerst opduikt in de zestiende eeuw, heeft vermoedelijk te maken met de ligging van de buurtschap op een ten opzichte van Lekkum vooruitstekende strook grond en is dan etymologisch verwant aan plaatsen als Sneek en Snikzwaag. De naam Snakkerburen is zeker niet uniek. Zij is eveneens de naam van een buurtschap ten zuidwesten van Oostermeer. Daarnaast wordt in de provincie Groningen, zowel bij Noordhorn als bij Ulrum, een Snakkeburen aangetroffen, terwijl ten noorden van Workum destijds Snackerbuurt lag, dat naderhand bij die stad is getrokken. In het Register van de Aanbreng (1511) wijst niets op een bestaan van Snakkerburen als ambachtscentrum. Alle personen die onder Lekkum worden genoemd, bezitten land of hebben dat in gebruik. Zelfs „Claes bij dat hoighholt" huurde zeven pondemaat fennen van de gebroeders Cammingha. Het staat niet vast of alle gezinshoofden een aanslag in rekening is gebracht; in menig ander dorp moest althans wèl voor de ‘huussteden’ van niet-agrariërs belasting worden afgedragen. Eerlijkheidshalve moet toch melding worden gemaakt van drie landeigenaars onder Lekkum, die een toenaam dragen die met het uitoefenen van een ambacht verband houdt. Van Jelke Pelser en Fock Olyslager is het echter zeker dat het Leeuwarders waren en van Sittie Backers erven is het aannemelijk. Bakkers namelijk kwamen toen op het platteland nauwelijks voor. De eerste ambachtsman van wie gevoeglijk kan worden aangenomen dat hij zijn vak aan de Dokkumer Ee heeft uitgeoefend, vinden we postuum vermeld in het Beneficiaalboek uit 1543: Heynrick Schoemakers erven. Een volgende middenstander is de door Santema genoemde bakker Isbrant Nanner, die wettelijke bescherming van de overheid aanvroeg voor zijn bakkersmerk, dat in alle broden werd gedrukt: „Op huyden den 2 jan. 1570 heeft Isbrant Nannes, backer toe Snackerbuiren, verclaert dit voergaende merck (..) op sijn brooden te holden en setten". De komst van middenstanders naar Snakkerburen zal in Leeuwarden met gemengde gevoelens zijn gadegeslagen. Volgens Wopke Eekhoff had de stad reeds aan het begin van de vijftiende eeuw „sedert eenigen tijd met leedwezen moeten aanzien, dat een aantal kooplieden, handwerkslieden en andere personen, die zich niet aan de stadswetten en bepalingen der gilden hadden willen onderwerpen, buiten de stad en vooral aan de oostzijde, langs den stroom de Vliet, zich huizen hadden gebouwd, en daarin ten nadeele der stedelingen hun beroep uitoefenden". Toen Leeuwarden begin zestiende eeuw definitief de jurisdictie over dat gebied had gekregen, zullen juist buiten die zogenaamde klokslag nieuwe kansen hebben gelegen. Dit gegeven, gecombineerd met de ligging aan de Dokkumer Ee en de verdere kanalisatie daarvan tezelfdertijd, gaf Snakkerburen de wind in de zeilen. Zo zal Isbrant Nanner ook veel schippers onder zijn klanten hebben geteld, die op doorreis de buurtschap aandeden. En wanneer de stad ’s avonds haar poorten had gesloten, vonden late reizigers nog een warm onthaal bij de hospes op Snakkerburen. Naarmate de bevolking groeide, nam de nering en nijverheid toe en dat trok op zijn beurt weer nieuwe bewoners aan. Op de kaart van Bernardus Schotanus uit 1685 wordt Snakkerburen reeds weergegeven met aaneengesloten bebouwing. Bovendien werd ten noorden ervan een rokend kalkbranderijtje en een ander figuurtje getekend, dat mogelijk een steenbakkerij moest weergeven. Steenbakkerijen langs de Dokkumer Ee kennen een lange geschiedenis, getuige ook de buurtschap Tichelwerk ten noorden van Wijns, die ook al door Schotanus op de kaart werd gezet. Vreemd genoeg vinden we van deze twee bedrijfstakken in het quotisatiekohier (1749) niets terug. Hetzelfde geldt voor een jeneverstokerij, waarvan de gevelsteen ‘In de stokerij’ uit 1737 nog prijkt in de gevel van het dubbele pand Oan ’e Ie 24-25. De ligging van Snakkerburen aan de Dokkumer Ee was voor de ontwikkeling van de buurtschap van even essentieel belang als dat het buiten de jurisdictie van Leeuwarden viel. Zoals verhaald, is de Dokkumer Ee deels op natuurlijke wijze, deels door mensenhand ontstaan. Eenmaal gegraven, vervulde het afwateringskanaal uiteraard ook een verkeersfunctie. Kanalen moeten onderhouden worden, maar in roerige tijden had men geen oog voor deze wijsheid. In het begin van de vijftiende eeuw was de Dokkumer Ee door de vele droogten niet langer bevaarbaar en was de Lauwerszee alleen nog via de omweg langs de Murk bereikbaar. De partijschappen tussen de Schieringers en Vetkopers hadden het land verscheurd en zolang deze twisten aanhielden, viel aan slatten van de Dokkumer Ee niet te denken. Dergelijke karweien vragen een gezamenlijke aanpak en het waren eerst de Saksische hertogen die over voldoende macht en autoriteit beschikten om het werk van hogerhand ten uitvoer te leggen (1503). Nog geen honderd jaar later was het aan de Opstand, het begin van de Tachtigjarige Oorlog, te wijten dat de schippers opnieuw steen en been klaagden, maar zolang de vijand vanuit Groningen en Steenwijk het Friese platteland plunderde, kon niets aan hun klachten worden gedaan. Tijdens zo’n plundertocht ging Lekkum in vlammen op en moesten de inwoners het ontgelden. De Dokkumer Ee vormde toen zelfs enige jaren de frontlinie en in 1585 en 1586 hadden Gedeputeerde Staten een korporaalschap van twaalf soldaten in de kerk van Miedum gelegerd. Eerst na de Reductie van Groningen en de verdrijving van de vijand over de grote rivieren achtten Gedeputeerde Staten de tijd rijp om het slatten opnieuw te verordenen (1597). Ook het Miedumerdiep werd in dat jaar uitgediept. De trekweg westelijk langs de Dokkumer Ee kreeg eveneens een opknapbeurt en toen stond niets de eerste geregelde beurtdienst tussen Leeuwarden en Dokkum meer in de weg. Blijkens de kaart van Willem Loré uit 1735 moest er ook in later eeuwen geslat worden en in Snakkerburen werden op het eind van de vorige eeuw enige voor steenfabricage afgegraven landen met baggermodder opgespoten. Dat de buurtschap bij al dit ingrijpen heeft welgevaren, laat zich raden. Snakkerburen heeft evenwel zijn ontstaan niet alleen te danken aan zijn ligging aan de Dokkumer Ee en net buiten de klokslag van Leeuwarden. Volgens het quotisatiekohier uit 1749 had Snakkerburen de beschikking over een behoorlijke middenstand, terwijl die destijds in de dorpskom van Lekkum en in Miedum geheel ontbrak. Snakker-buren vormde dus het verzorgingscentrum van de agrarische bevolking van deze dorpen. In Miedum woonden op dat moment alleen boeren, elf in getal. De volledige bevolking telde 58 personen, van wie zestien jonger dan twaalf jaar. Helaas worden in het quotisatiekohier van Lekkum de inwoners van Snakkerburen niet apart vermeld, maar omdat de volgorde van de namen volgens een bepaald geografisch patroon werd bepaald, kunnen we toch wel een zekere scheiding aanbrengen. Zo staat het vast dat de dominee en de schoolmeester in het dorp zelf woonden en derhalve zullen ook de doodgraver, de twee arbeiders en de drie weduwen die in hun nabijheid worden genoemd, in Lekkum hun domicilie hebben gehad. De overige 28 niet-agrariërs zullen we in Snakkerburen moeten situeren. Onder hen treffen we een hospes, een assistent (veldwachter), een bakker, twee schoenmakers en een -knecht, twee kuipers, een timmerman, een smid, twee wevers en een -knecht, een koopman, een belastingontvanger, een rentenier, acht arbeiders en ook vier armen aan. Voorts worden elf boeren en vier koemelkers genoemd, die verspreid over het hele dorpsgebied hun bedrijf hebben uitgeoefend. De totale bevolking van Lekkum en Snakkerburen bestond in 1749 uit 183 personen, onder wie 45 kinderen.
Links:
Werom nei Doarpen yn Ljouwert