| |

- De plaats, waar de toren staat
- Grondonderzoek
- Oudste bewoners
- De eerste kerk
- Leeuwarden
- Het verdwijnen van de middelzee
- De van steen gebouwde kerk
- Voorbereiding tot den bouw van
den thans bestaanden toren
- Begin van den bouw
- Overeenkomst stedelijk bestuur
- Plaats voor de nieuwe kerk met
toren
- Middel tegen verzakking
- De verzakking begonnen
dood des bouwmeesters
- De nieuwe bouwmeester
- Het scheefzakken verklaard
door een legende
- Het in tweeën scheuren
- De balklagen
- De klokkenstoel
- De klokken
- Het uurwerk
- Algeheel verval van den toren
- Betere vooruitzichten
- Voorstel tot herstel
- Verbeteringsplannen
|
Toren "de Oldehove"en
zijn geschiedenis
Geschreven naar aanleidng van de in 1910/1911 daaraan verrichte herstellingen en de daarbij aan het licht gekomen bijzonderheden door W.C.A. Hofkamp, Directeur der gemeentewerken. Hieronder de nagenoeg letterlijke overgetypte tekst van deze publicatie uit 1911.
Let op: Daar waar Hofkamp ingaat op de nederzettings- en bewoningsgeschiedenis, alsmede de bouwgeschiedenis van kerk en toren, lijkt een waarschuwing op zijn plaats. Hofkamp was immers in de eerste plaats een architect en geen historicus. Hierdoor zijn door hem bepaalde wetenswaardigheden uit de destijds tot zijn beschikking staande literatuur over de Oldehove klakkeloos overgenomen, terwijl deze in zijn tijd al op gespannen voet stonden met de voortschrijdende inzichten. Daarnaast is na het totstandkomen van Hofkamps publicatie al weer bijna een eeuw verlopen, waardoor - na de opgravingen in 1933 en 1968 en meer nog na de meest recente opgravingen tussen 2004 en 2006 - bepaalde min of meer vastgeroeste aannames naar de prullenbak konden worden verwezen. Het verdient dan ook aanbeveling om - behalve daar waar het bouw- en restauratietechnische aspecten betreft - niet uit deze bron te citeren, maar te putten uit gegevens die bekend zijn geworden na het meest recente onderzoek en die op de website van het Historisch Centrum Leeuwarden, waaronder deze subsite thuishoort, zijn terug te vinden onder Stad - Huizen en monumenten.
De "Oldehove", de bekende oude toren van Leeuwarden, trok in de laatste jaren meer dan gewone belangstelling.
Zoowel de voorbereiding tot de herstellingswerken als de uitvoering daarvan gaven aan Leeuwarders en andere Friezen gelegenheid hun ingenomenheid met dat oude bouwwerk herhaaldelijk te doen blijken.
Het is dan ook waarschijnlijk, dat velen wel iets meer willen weten, zoowel van den toren en zijn geschiedenis als van de daaraan uitgevoerde werken, en dit vooral, nu daarbij bijzonderheden aan het licht zijn gekomen, die kunnen verklaren, wat tot nog toe duister was.
Om aan dien wensch te gemoet te komen diene dit opstel, dat ik meen te mogen beginnen met een weinig geschiedenis; deels geput uit gegevens bij 't grondonderzoek aan 't licht gekomen, deels uit het bekende werk "de geschiedenis van Leeuwarden" door W. Eekhoff.
1. De plaats, waar de toren staat
Ik ga in de geschiedenis terug tot het verre verleden, tot een tijd, toen Friesland nog voor eb en vloed open lag en de zoo dun gezaaide bevolking zich op terpen tegen de af en toe hoog oploopende golven moest verdedigen.
Toen lag de plaats, waar nu onze toren staat, vlak aan de zee "de Middelzee", die onze provincie toen in 2 deelen verdeelde. Deze plaats was een landpunt, die met een voorhoek van 90 graden in zee stak, en op die punt lag zulk een terp. Deze terpen, van welke tot voor enkele jaren nog vele in Friesland voorkwamen, bestaan uit alles, wat men destijds, als voor verhooging geschikt, bemachtigen kon. Zelfs de resten van het gestalde vee, dat 's winters en bij hooge waterstanden bij huis werd gehaald, werden niet over het land gebracht, maar bleven liggen en dienden als een welkom ophoogingsmateriaal. Aan deze en dergelijke overblijfselen zijn dan ook de terpen te onderkennen. Zij zijn oorzaak van de groote waarde als meststof, waartoe ze reeds bijna alle zijn afgegraven en vervoerd. Dat de plaats, waar de toren staat, zulk een terp is, bleek reeds eenige jaren geleden bij 't leggen der rioleering in de nabijheid. De grond toonde toen nl. in doorsnede alle overeenkomst met die der overige terpen.
naar boven
2. Grondonderzoek
Natuurlijk is zulk een terp niet geschikt om er op te bouwen en vooral niet voor een toren als de Oldehove. Het spreekt dan ook wel van zelf, dat Jacob van Aaken (des torens bouwmeester) deze terp eerst zal hebben doorgegraven, vóór met bouwen te beginnen. Men mag dit althans veronderstellen; maar wat zou dan wel de oorzaak zijn, dat de Oldehove zoo verzakte? Om daarover iets beter te kunnen oordeelen, heb ik, reeds vóór een voorstel tot herstel te doen, door boring een onderzoek laten instellen. De resultaten hiervan zijn op het hiernaast afgedrukte plaatje weergegeven. Men vond afwisselende klei- en veenlagen rustende op zand. Dit zand is tamelijk vast, maar de laag daarvan niet dik en onder deze bevindt zich een veel zachtere stof, die bij het daarin heien weinig weerstand biedt en tot op groote diepte in dat opzicht gelijk blijft. Of dit zand in zoet- of zoutwater is ontstaan, doet hier weinig ter zake, maar op dezen bodem heeft een welige plantengroei zich ontwikkeld, die aanleiding heeft gegeven tot de vorming van de 1.50 m dikke veenlaag. En daarna trad weer een periode van hoog en veel slibhoudend zeewater in, die oorzaak werd van de vorming der volgende 1.75 meter dikke kleilaag. Deze kleilaag is niet vast, want bij het tweemaal ronddraaien van een zwaar boortoestel, zakte dit reeds drie centimeter daarin weg, sneller dan in de weer op die kleilaag liggende veenlaag, waarin de boor slechts 1 centimeter per slag vorderde. Die tweede veenlaag is 50 centimeter dik en de weer daarop liggende kleilaag 1.30 m.
Deze kleilaag, die zoo vast is, dat de boor daarin 5 maal moest worden rondgedraaid, vóór ze 3.5 centimeter wilde zakken, is de laatste der vóór den tijd der bewoning gevormde lagen. Daarop is de kunstmatige ophooging begonnen. Die ophooging geeft nog aanleiding tot een opmerking. Bij 't boren vonden we n.l. op 2.35 m diepte een lijkkist van 0.35 m hoogte en 60 centimeter daaronder nog een, die 40 centimeter hoog is. Voor deze kist was dus bij de tegenwoordige hoogte der omgeving een graf noodig geweest van 3.70 m of wel een à anderhalven meter dieper, dan waarschijnlijk ooit begraven is geworden. Hieruit, en ook uit de omstandigheid, dat westelijk van den toren de grondslag 0.80 m lager ligt, meen ik te mogen afleiden, dat het oostelijk gelegen terrein (de oude begraafplaats) een tweede verhooging heeft ondergaan. Dergelijke verhoogingen hebben ook nu nog plaats op onze tegenwoordige begraafplaats door den bij herhaald begraven overblijvenden grond en 't in waterhoudenden kleigrond niet vergaan der kisten. Maar, wanneer men die tweede verhooging als waar mag aannemen en ook, dat deze werd uitgevoerd na den torenbouw, dan zou alleen zij oorzaak zijn van het lager liggen van den vloer in den toren en niet de verzakking, waaraan anders ook de schuld gegeven kan worden. We hebben n.l. bij de laatste werken den vloer ongeveer op de oorspronkelijke hoogte gebracht, die we uit het begin van de traptreden mochten vaststellen. Maar zou dan Van Aaken reeds den vloer zooveel te hoog gelegd hebben, dat deze na de verzakking gelijk met den buitengrond kwam? Heeft hij dan reeds gerekend op zooveel verzakking?
naar boven
3. Oudste bewoners
Keeren we terug tot onze terpbewoners en tot den tijd, waarover we met een weinig minder veronderstellingen kunnen oordeelen. Ze vonden, als midden in 't gras wonende, hun onderhoud in veeteelt, maar de nabijheid van de zee lokte hen ook uit tot vischvangst, waartoe ze zich schepen bouwden. Deze weer gaven gelegenheid om tochtjes te doen, misschien eerst voor pleizier, later voor 't drijven van handel en het veroveren van een beter bestaan, waardoor de bevolking zich hoe langer zoo meer zal hebben uitgebreid. We moeten ons dat varen over de Middelzee echter voorstellen, als over onze wadden, en dan zonder de hulpmiddelen, die wij nu hebben. Het was geen eigenlijke zee, maar meer waren 't soms nauwe dan weer breede, maar niet diepe geulen, die ondiepten en eilandjes omsloten. Dit bleek mij o.a. bij 't boren in de ons altijd als bodem der Middelzee aangewezen landerijen in het zoogenaamde Nieuwland. Nabij de Oldehove vonden we in de vroegere zee een zeer dikke kleilaag, maar een honderd meter van daar meer Westwaarts alweer de afwisselende klei- en veenlagen, niet anders dan in heel Leeuwarden. Hier heeft dus een eiland bestaan, dat door een geul van 't vaste land bij de Oldehove gescheiden was. En onder in die geul vonden we toch ook nog een laagje veen en daaronder weer op gelijke diepte het overal aanwezige vaste zand; wel een bewijs, dat de Middelzee vroeger ook land was. Welnu, dat varen in de geulen maakte, zooals de overlevering wil, een hoog punt aan den oever noodig, waarop de schippers koersen konden. Men vond in het naburige Gaasterland lange boomstammen genoeg, die 't mogelijk maakten een hoogen toren te bouwen, en denken we ons dan daarop 's avonds een vuurtje aangelegd, dan is voldaan aan 't verhaal, dat vóór de Oldehove hier een vuurtoren gestaan heeft. Maar deze verbetering, voor het bevaren van de zee van zooveel belang, was ook bevorderlijk voor het zich hier vestigen van meerdere bewoners en deze trokken daardoor de attentie van de zendelingen, die ten tijde van Karel den Grooten in Friesland het Christendom kwamen prediken.
naar boven
4. De eerste kerk
Waarschijnlijk vonden deze zendelingen hier al heel spoedig vele volgelingen, want uit dien tijd leest men reeds van de stichting der eerste kerk met toren op deze plaats, die, zooals van zelf spreekt, ook van hout gebouwd was en met riet gedekt. De plaats dezer kerk werd door den priester-voorganger een Aula Dei, d.i. hof of "hove" des Heeren genoemd ons "Olde-hove". Dat "Olde" is natuurlijk aan het stamwoord toegevoegd geworden, toen de bewoners van een zeer nabij gelegen terp zich ook een kerk bouwden en daarvoor ter onderscheiding van de oudere den naam "Nyehove" aannamen.
naar boven
5. Leeuwarden
Het dorp om de kerk "Nyehove" breidde zich al heel spoedig uit en nam toen den naam "Leeuwarden" aan, welke plaats reeds in 1190 stedelijke rechten kreeg.
naar boven
6. Het verdwijnen van de middelzee
Maar ook de omwoners van de "Oldehove
Vermeerderden in aantal en onder hen, die zich hier kwamen vestigen, waren allicht meer veehouders dan zeevaarders, want de Middelzee werd langzamerhand minder bevaarbaar en in de dertiende eeuw reeds slibde zij geheel dicht. Toen was het hier voorgoed gedaan met zeevaart en visscherij, maar gelukkig de slib ging over in land met welig gras en dit gaf den bewoners meer voordeel, dan de zoo slecht te bevaren zee. Al heel spoedig komt hier dan ook meerdere welvaart, wat blijken kan uit het reeds in 1400 vervangen van de houten kerk door een nieuwe van steen gebouwd.
naar boven
7. De van steen gebouwde kerk
Deze kerk werd voorzien van een hoogen spitsen toren op het koor. Een vuurtoren had men, nu de zee verdwenen was, niet meer noodig. Zij werd gewijd aan St.-Vitus, doch de naam Oldehove bleef behouden, 't zij dan voor de kerk of voor de omgeving daarvan. Zoo ook behield het dorp zijn zelfstandigheid naast de stad, maar niet lang meer, want reeds op 21 Januari 1435 werd door afgevaardigden van Leeuwarden, Oldehove en Hoek, een dorpje oostelijk van Leeuwarden gelegen, besloten tot ineensmelting onder den naam "Leeuwarden".
naar boven
8. Voorbereiding tot den bouw van den thans bestaanden toren
Na de vereeniging kwam er behoefte aan een grootere kerk, die meer geloovigen tegelijk zou kunnen bevatten. Ook in andere plaatsen werden in dezen tijd dergelijke domkerken, meestal voorzien van een grooten toren, gebouwd. Zoo had ook Groningen, de naburige, Oostelijk gelegen stad, tusschen 1469 en 1482 zijn 333 voet hoogen Martinitoren gekregen. Deze nog altijd even recht staande toren kan nog eeuwen trotseeren, maar hij wordt door de Groningers ook terdege goed onderhouden. Een 20-tal jaren geleden werd voor een groote herstelling daaraan nog 100,000 gulden ten offer gebracht. Ook de Leeuwarders wenschten zulk een toren bij hun te bouwen kerk te bezitten en daarom werd een algemeen verzoek om hulp tot alle Friezen gericht. Dit deed al heel spoedig velerlei giften en legaten binnenkomen, waarbij meestal bepaald werd, dat ze alleen voor den bouw van kerk en toren bestemd mochten worden. En niet alleen met giften in geld, ook op andere wijze werd geholpen. Zoo werd een stuk land en zelfs ook een steenbakkerij onder Wylaard aan dit fonds vermaakt, die sedert verhuurd werd onder voorwaarde, dat er tijdens den bouw van kerk en toren "van elcken brant, der kercken ten profyte, sevenduysent steens" geleverd moesten worden. Bovendien werd door de Geestelijkheid een krachtig middel te baat genomen, n.l. het opleggen van zoogenaamde steenboeten. Zoowel voor burgerlijke als geestelijke misdrijven en overtredingen werd niet door geld of lijfstraf "geboet", maar door de verplichting tot het leveren van eenige duizenden steenen of een zekere hoeveelheid kalk of andere bouwstoffen, een straf, die destijds meer werd toegepast o.a. ook bij het uitbreiden en maken van nieuwe vestingwerken. Maar behalve dit waren het vooral de uit vroomheid gegeven gelden of bouwstoffen en niet minder ook de van Regeeringswege geboden hulp in het bijeenbrengen van de zoo groote bouwsom. Het is zelfs waarschijnlijk, zegt Eekhoff, dat de gemeente sedert 1520 de helft van den accijns op den invoer van vreemd bier, wijn en laken, waarvan het heffingsrecht in 1524 nogmaals door den keizer werd vergund, heeft bewaard en voor den bouw bestemd.
naar boven
9. Begin van den bouw
En zoo was men dan in 1529 zoo ver gevorderd, dat men voldoende van geld voorzien en van verdere inkomsten verzekerd was, om met den bouw van den nieuwen domtoren en de domkerk te beginnen. Men had in Jacob van Aaken een bekwaam bouwmeester gevonden, die, na van het hem meegedeelde voornemen kennis genomen te hebben, een plan ontwierp van een kerk met een toren, welke laatste drie à vierhonderd voet hoog zoude worden. In de vergadering, die op 28 mei 1529 door stadsbestuur en geestelijkheid werd gehouden, vereenigde men zich algemeen met dit plan. Men sloot een contract met den bouwmeester, omdat men zich van hem als vreemdeling waarschijnlijk minder zeker gevoelde. En dat contract is nog, althans wat den inhoud betreft, bewaard gebleven, ja Eekhoff was ten zeerste overtuigd, dat het aldus luidde, daar hij 3 afschriften onder oogen kreeg. Hij meende zelfs met reden te mogen veronderstellen, dat het contract zelf nog bestaat, zij het dan ook in particulier bezit. Daar het een eigenaardig licht werpt op de toenmalige wijze van samenstelling van bouwovereenkomsten en de betaling der bouwmeesters, laat ik het hier in zijn geheel volgen. Ik voeg er aan toe de mededeeling van Eekhoff, dat hij de naar zijn meening in die afschriften verkeerde spelling en enkele namen heeft verbeterd.
naar boven
10. Overeenkomst van het stedelijk bestuur van Leeuwarden en de kerkvoogden van oldehove c.s. met meester Jacob van Aaken, betrekkelijk het bouwen van een nieuwen toren en kerk te Oldehove. 1529, den 28 Mei
Wy Borgemeesteren ende Schepenen ende Raeden der Stadt Leeuwarden, Peter Johan zoon, Aesge Aesges zoon, Haring Symens zoon, Adam Alberts ende Abbe Beuwes, ende de Kerckvooghden van Olda Hoff, met wille ende consent van onse weerdige ende welgeleerde Heeren Pastoren Mr. Focke Rommerts ende Heer Fedde, sampt Mr. Pier en Mr. Upcke Burmania, bekennen mits deesen openen Brieve, dat wy den eersamen Meester Jacob van Aaken voor eenen ouersten ende principaelsten Meester om een niuwe Toorn ende en niuwe Kercke tot Olda Hoff ad Sanctum Vitum patronum te bouen, by der gratie Godes Almachtich hebben anghenomen; ende syn tsamentlyck op t Stads Raedhuys by goeden Contracte ende Accordatie gesloten ende ouereengekomen mits deesen volgenden maniere, als te weten: Dat Mr. Jacob voersz. ses jaeren, na den anderen continuerende, in Stadts dienst is aengenomen, ende soo wanneer Mr. Jacob aen de Kerck off aen de Toorn arbeit, sal hy des daghes hebben voer arbeitsloon acht stuiuers, daer toe een vrye woninge, de ses jaeren geduirende, ende daer te bouen alle jaeren, de ses jaeren geduirende, een eerlyck niuw kleed; ende accorderen deze alleenlyck, in soo verre Mr. Jacobs konsten goed ende perfect syn, als hy des selfs vermeten ende uytgehouden heeft, bevonden sullen worden. Als deese ses jaeren omgekomen syn, ende indyen wy dan vermogen langer te konnen bouwen aen de voerseyde Kerck, Toorn off oock ander werck offte bouwerye, ende indyen Meester Jacob syn dingen doet, als een groet Meister te doen staet, dan sullen wy alsdan geen ander Meester aanstellen off in syn stede nemen; desgelycken sal Mr. Jacob geen andere wercken in ses jaeren geduirende moegen aannemen. Alsoe dan alles op het voerschreuen loon, hier alle arghelist uytgesloten, ende deese tot oirconde, hebben wy Borgemeesteren ende Schepenen ende Raeden voersz. dees Contractes brieff, als Recht ende Raed voersz, ende van wegen ende tot begeerte van onsen Heeren Pastoren ende anderen Heeren, sampt die Kerckvooghden, met het Stads Zegel signeert.
Actum Leeuwarden den 28 May anno XVCXXIX.
Wilcko Folkerts, Secretarius.
Ende want ick Mr. Jacob geen segel gebruick, so heb ick deesen brieff, ende nog een geschreuene, deesen met myn eygen hant onderteykent.
Ick Meester Jacob bekenne als voerschreuen.
Tot goed begrip van deze karige bezoldiging van den bouwmeester verdient nog vermelding, dat ook de dagloonen der handwerkslieden destijds niet meer dan een braspenning (6 cents) bedroegen.
naar boven
11. Plaats voor de nieuwe kerk met toren
Als plaats voor de nieuwe kerk en toren werd die van de oude aangewezen, en mogelijk om de kerk nog voor den dienst te kunnen gebruiken, werd eerst met den toren en dan op eenigen afstand westelijk van de bestaande kerk met bouwen begonnen, misschien ook heeft bij meester Van Aaken de vrees voor verzakking reeds voorgezeten en wilde hij eerst den toren bouwen, omdat deze als van meerdere hoogte en met een grondvlak, dat in verhouding kleinere afmetingen had, allicht eerder zou verzakken dan de kerk. Men zou dan de kerk tegen den toren kunnen aanbouwen en allicht geen last van afscheuren krijgen. Hoe 't zij, bij de nu uitgevoerde herstellingswerken is ons gebleken, dat Jacob van Aaken wel degelijk verzakking vreesde.
naar boven
12. Middel door Van Aaken toegepast, om de waarschijnlijke verzakking tegen te gaan of althans te beperken
Bij 't ontgraven aan den voet van den toren vonden we tot op eenigen afstand van dezen (hoe ver werd niet onderzocht) verschillende betonlagen, die naar den toren toe afhellen. Eerst dachten we aan resten van kalk en puin, bij 't bouwen overgebleven, tot welke veronderstelling een mengsel van kalk en steenstukken alle aanleiding gaf, maar toen we de bovenste laag doorbraken en verder lieten graven, bleek het, dat er ongeveer een twaalftal zulke lagen, afwisselend bestaande uit beton en uit zeer vaste klei, tezamen tot een totale hoogte van 1,15 meter, niet alleen buiten, maar ook onder den toren liggen, zoowel Oostelijk als Westelijk, waar wij, om de daar bestaande scheuren te dichten, graven moesten. Het is dus aan te nemen, dat ze onder en rondom den geheelen toren liggen. Daar deze wijze van voorziening mij vreemd voorkwam en mijne mededeeling er van door anderen allicht zou kunnen worden betwijfeld, heb ik er niet alleen een teekening met doorsneden van doen maken, maar ook een drietal photographiën laten nemen en een gedeelte doen uitgraven, om desgewenscht de samenstelling nog te kunnen nagaan. Duidelijk is op de photo's te zien, hoe de lagen naar den toren toe zijn samengeperst en daar veel lager liggen dan buiten af, maar tegelijk geeft een der photo's een beeld van de geweldige wijze, waarop het fundament uit elkaar is gescheurd, hoe het lichaam van den toren naar beneden ging en hoe eerst daarmee verbonden fundeering van onder den kerkingang ter weerzijden werd losgelaten en dit gedeelte wegens zijn mindere zwaarte ook minder diep in den zachte lagen is weggezakt.
Op een der photo's is te zien, hoe een stuk zandsteen (zie even boven het door ons ingebrachte zware anker) is opgebogen en gebroken door den tegenstand, ondervonden bij het nog vóór de scheur zich zoo erg verwijdde. Dat opgezette stuk zandsteen vertelt ons dus, dat de toren eerst ten deele is gezakt, vóór de scheur zoo wijd openging.
Waarom boven en onder het hier gelegde anker door ons zooveel metselwerk is weggenomen, als de photo aangeeft, wordt later klaar, als het boren behandeld wordt. Hier behoefden we niet zoo ruim te ontgraven en daarom kon geen duidelijker photo worden genomen, maar de beton- en kleilagen zijn er toch goed op te onderkennen, en ook de onderkant van het fundament, dat hier evenmin als elders een "versnijding" heeft, is, wanneer men de letters A B C D volgt, duidelijk te zien, terwijl daaronder ook de lagen weer uitkomen. En onder deze lagen ligt de vaste kleilaag, waarvan we in het begin van dit opstel reeds melding hebben gemaakt, en die, zooals bekend, 1,30 meter dikte heeft. Tot aan deze laag heeft de bouwmeester dus den vroeger opgebrachten grond weggegraven en daarop die afwisselende lagen gelegd. Maar wat heeft nu meester Van Aaken met deze lagen toch wel voor een bedoeling gehad? Natuurlijk zal men zeggen: dezelfde, die wij tegenwoordig nog hebben met onze fundeerplaten van gewapend beton. Was hij dan zijn tijd vooruit? Maar dan heeft hij zich toch deerlijk vergist, want zijn beton miste de bewapening, en hij kon slechts beschikken over gewone kalk, die in den grond al heel weinig vastheid beloofde. Waarschijnlijk heeft hij, als uit Aken afkomstig, dat meer nabij de vindplaats van waterkalk gelegen is, grooter vertrouwen aan kalk in 't algemeen geschonken en de onze als even goed aangezien. Maar waartoe dan nog die afwisseling met kleilagen? Ik mag mij niet wagen aan veronderstellingen over des bouwmeesters waarschijnlijk goede bedoelingen, maar moet helaas constateeren, dat de meester een zacht kussen heeft gekregen, dat hem nog verder "van de wijs" heeft gebracht, dan wanneer hij onmiddellijk op de weliswaar dunne, maar toch homogene kleilaag begonnen was te bouwen. Hij moest in beide gevallen verzakking verwachten, maar toen hij dat kussen maakte, kreeg hij deze eerder en nog wat erger. Als men de teekeningetjes van die lagen, die naar een zeer getrouwe meting zijn gemaakt, goed beziet, is het aan de naar beneden omgebogen lagen duidelijk na te gaan, hoe de toren door dat kussen is heengegaan en dit ook heeft meegenomen. Maar ook de onder deze lagen liggende vaste kleilaag is nog ineengedrukt en zeker ook nog gezakt door de zachtheid der daaronder liggende diepere lagen. Deze vaste kleilaag moet toch oorspronkelijk overeenkomstig geweest zijn met die, welke wij bij het boren vonden ter hoogte van ± 25 cm. onder den gemiddelden waterstand, (F.Z.P.), terwijl deze reeds 0,60 m. "minus" ligt. En die hoogte werd genomen onder de fundeering van het metselwerk, dat onder den ingang gemaakt is; die onder het eigenlijke lichaam van den toren ligt nog dieper.
naar boven
13. De verzakking begonnen dood des bouwmeesters
Eekhoff schrijft, dat de verzakking reeds begon, toen de toren nog maar 10 meter hoog was. 't Zal wel zoo zijn, want de meting wijst dit uit, maar ook is 't zeker, dat dit den bouwmeester veel verdriet gedaan heeft, ja allicht zoo erg, dat hij reeds in het derde jaar na den aanvang van 't bouwen van "chagrin" overleed. Eekhoff noemt als eerste ramp Van Aakens dood en daarna als tweede de verzakking. Zou men niet mogen aannemen, dat de dood het gevolg is geweest, dat deze althans verhaast werd door de verzakking? Wat toch is ellendiger voor een bouwmeester, dan te moeten ondervinden, dat zijn berekingen gefaald hebben? En dan, wat een spanning, toen hij dit nog niet eens heeft willen erkennen! Wat zal de man met groote zorg dat zakken gevolgd hebben, wat hem natuurlijk dadelijk is gebleken, en veel vroeger reeds, dan dit bij het groote publiek bekend werd. Wat zal hij een knagend verdriet hebben gehad! Maar, waarom niet eerlijk bekend, wat gebeurd was, en niet tijdig geëindigd en op een andere wijze beproefd, verbetering te krijgen. Dat zou hem verlichting hebben gegeven en voor den toren beter zijn geweest. Maar wie weet ook, wat daarover binnenskamers is voorgevallen? Dat 't zijn dood is geweest, is voor mij zeker. Wat zal hij jaloersch geweest zijn op zijn collega, die den Groninger toren bouwde en daarbij zulk een goeden vasten zandbodem vond. Ja, Van Aaken heeft, om daaraan tegemoet te komen, hier een veel breederen voet gemaakt, door de 8 rondom breed uitstekende beeren; hij heeft in het ondergedeelte van den toren geen vier openingen gehouden zooals in Groningen, maar slechts twee, en toch ging het mis. Maar waarom ook in 't geheel geen versnijdingen aan het fundament, die we hier te lande toch steeds en overal maken, zelfs nog bij het kleinste gebouw! Was dit in navolging van 't geen hij in Aaken deed, waar men op rotsgrond bouwt?
naar boven
14. De nieuwe bouwmeester
Als opvolger van Van Aaken werd meester Cornelis Frederik benoemd, misschien zegt Eekhoff, dezelfde, die, als Cornelis Frederiksz. van der Goude op 15 Maart 1552 door de regeering van Gouda werd aangenomen als opperbouwmeester ter wederopbouwing van de verbrande St.-Jansparochiekerk aldaar. Deze was echter niet tevreden met het salaris van zijn voorganger. Hij eischte en verkreeg, behalve de ook aan Van Aaken verleende emolumenten van woning en kleed, een salaris van tien stuivers per dag in plaats van acht. Op welke hoogte van den toren de overgang van den eenen bouwmeester op den anderen heeft plaatsgehad, is niet bekend geworden en ook aan den toren niet waar te nemen. Ze hebben klaarblijkelijk beiden naar een zelfde plan gebouwd en daar, zooals Eekhoff zegt, in 1533 dus 4 jaar na het begin of één jaar na den dood van Van Aaken, met bouwen geëindigd werd, is 't waarschijnlijk, dat Cornelis niet meer dan 1/3 à 1/4 van de hoogte bouwde. Het is onmogelijk, wat Eekhoff vermoedde, dat reeds in 1529 de toren zou gevorderd zijn tot de bovenste trede van de zandstenen trap (het einde van den traptoren), want met een opdracht van 28 Mei, (zie voor), kon men in 7 à 8 maanden toch niet reeds gevorderd zijn tot 2/3 der hoogte van dezen toren. Dat zou zelfs met de zooveel betere hulpmiddelen, die ons nu ten dienste staan, niet gaan. Maar wat heeft ook Cornelis Fredriks bewogen om maar op denzelfden voet voort te bouwen? Had ook hij niet beter gedaan, weer af te breken of middelen tot verbetering te beramen? Daarvan blijkt niets. Misschien was hij al van vroeger af bij den bouw aan 't werk, en derhalve met den (ongunstigen) stand van den toren vertrouwd geraakt. Hoe 't zij, hij, zoowel als zijn voorganger, bleven, ongeacht de verzakking, maar aan het bouwen en deden dit steeds weer loodrecht op 't vroeger scheef geworden ondergedeelte; en hoe ver men bouwde, steeds bleef de verzakking aanhouden. Doch ook werd er aanhoudend weer loodrecht verder gebouwd. Daardoor ontstond de ronde vorm, die ook duidelijk zichtbaar is, maar in getallen opgegeven toch nog beter is na te gaan. De toren helt nl. het meest van den Zuidoostelijken naar den Noordwestelijken hoek en daardoor staan alle zijvlakken scheef, maar de helling daarvan neemt naar boven toe af. De verschillende hellingen bedragen aan de Noordzijde:
Over de eerste 5,75 M hoogte 6.6 %
Over de volgende 5,25 M hoogte 5.5 %
Over de volgende 7,20 M hoogte 4.0 %
Over de volgende 7,40 M hoogte 3.3 %
En eindelijk over de bovenste 13,25 M hoogte 2.2 %
De helling over de volle hoogte, die 38,85 meter bedraagt, is
aan de Noordzijde 1,49 M
aan de Oostzijde 1,52 M
aan de Zuidzijde 1,43 M
aan de Westzijde 1,55 M
Door deze hellingen is het duidelijk, dat de zich aan den Noordwestelijken hoek bevindende traptoren het is geweest, die door zijn klein grondvlak en het groote gewicht, nog vermeerderd door de 127 zandsteenen treden, het groote geheel aan het wankelen bracht. De verzakking in die richting werd nog erger, door het verlichten van het gebouw juist aan den tegenoverliggenden hoek, waar men door uitsparing in de 2 contraforten de trap langs de derde verdieping heeft geleid naar het plat. Waarom bracht men de verlichting niet aan juist boven de zoo zware trap? Al weer een vraag, waarop wel geen antwoord komen zal.
Zoo is dan nu de eigenlijke oorzaak van de spoedige verzakking, waardoor het telkens weer rechtbouwen noodzakelijk werd en de ronde vorm ontstond, aan 't licht gekomen. Wel zijn er, ook hier in Friesland, scheeve torens, maar die zijn eerst nà het bouwen gezakt en alle scheef, niet rond. Ze kunnen dan ook rechtgezet worden, wat meermalen gebeurde, maar hier onmogelijk is.
naar boven
15. Het scheefzakken verklaard door een legende
Daar de ware oorzaak van het scheefzakken nooit werd meegedeeld, maakte men allerlei gissingen, waarvan er een als nog al waarschijnlijk zeker het langst in omloop bleef. Deze inspireerde in den afgeloopen winter nog onzen populairen Frieschen dichter, den Heer T. Velstra, die er een tooneelstukje naar maakte, wat door het "Ljouwter toanielselskip" werd opgevoerd. Het heet: "It heechste rjucht ef de Bouwmaster fen de Aldehou". In hetgeen volgt vindt men den korten inhoud van het verhaal. Bij 't voornemen tot het bouwen van den toren werd behalve een kundig bouwmeester, naar tijdsgebruik ook een waerzegster geraadpleegd: Brechje, zoo heette ze, recommandeert, vooral groote zorg te wijden aan 't fundament, en voor het leggen der vier hoeksteenen, waarop de toren rusten zal, mannen te nemen, die als - terdege rechtvaardig - bekend staan. Natuurlijk wordt deze goede raad, waarvan elk 't gewicht gevoelt, gaarne opgevolgd en eerst na rijp beraad en onderling overleg van alle vroede mannen, (waaronder de geestelijkheid in de eerste plaats) worden voor drie der hoeken uitnemende personen uitgezocht en aangewezen. Maar over den vierden kan men het niet eens worden. Daarom zal voor de keuze van dezen een beroep op 't volk worden gedaan. Dit benoemt met groote meerderheid van stemmen den koopman Sippo Naormans en de steenlegging vindt daarna met alle plechtigheid naar tijdsgebruik plaats. Alles gaat oogenschijnlijk goed. Niemand bemerkt of vreest eenig kwaad. Men is immers overtuigd van de deugden der steenleggers. Maar 't ongeluk wil, dat Sippo Naormans de dochter van den bouwmeester Jacob van Aaken ontmoet, die in stilte verloofd is met Cornelis Frederiks, den onderbaas van meester Jacob. En Sippo, die, na het meisje maar eens gezien te hebben, tot over d'ooren verliefd is, weet van haar verloving niets, doch toen hij ze verneemt, wil hij niet achterstaan bij zoo'n eenvoudig man als Cornelis: hij doet alle mogelijke moeite om eens met haar alleen te zijn, doch wordt steeds ontweken, tot hij ze eindelijk vindt in haar vaders woning, waar ze toevallig alleen is. Ze kan niet meer ontkomen en Sippo treedt, als verliefde jonker, eerst zacht, doch door de blijvende weigering hoe langer zoo brutaler op; er volgt eindelijk een worsteling, waarbij hij reeds met een dolk dreigt. Juist op dat oogenblik komt meester Jacob binnen en deze, uitermate ontdaan over zoo'n brutaliteit, misschien ook zenuwachtig door den bij zijn bouwwerk ondervonden groote tegenspoed, grijpt een nabijstaanden moker en slaat er mee naar Sippo, die getroffen wordt, bedwelmd ineenzakt en aan de gevolgen overlijdt. Jacob, de goede meester, maar in zijn drift te ver gegane vader, wordt in boeien geslagen en naar de gevangenis gevoerd. Het gerecht veroordeelt hem tot den strop. Maar daarin kan hij niet berusten; zoo slecht toch was zijn daad niet, ja hij meent deze heel wel te kunnen verantwoorden en hoopt nog eenmaal door het Hoogste gerecht gerechtvaardigd te zullen worden. De waarzegster Brechje wordt geraadpleegd en deze sterkt hem in dat vertrouwen. Maar de voorbereidselen tot terechtstelling worden reeds gemaakt en de spanning neemt toe. Nog hoe langer zoo sterker wordt deze, allen zijn der wanhoop nabij, de beide verloofden komen reeds in den kerker om in bijzijn van den pastoor Jacobs laatsten zegen te ontvangen. Toevallig is Brechje getuige van deze indroeve plechtigheid, zij heeft nog altijd vertrouwen en weet de anderen daarin zelfs nog een oogenblik te doen deelen. Toch schijnt alle hoop ijdel te zijn. Er is geen uitkomst meer en terwijl er een hevig onweer losbreekt en helsche bliksemschichten onophoudelijk door ratelende donderslagen worden gevolgd, laat Brechje plechtig hooren: "het Hoogste gerecht spreekt". En ze heeft nauwelijks deze woorden van de lippen of de Burgemeester treedt binnen met de blijde mededeeling, dat Jacob vrij is, nu ook vrijgesproken door den aardschen rechter, die daartoe aanleiding vond in het aan den dag gekomen scheefzakken van den toren, juist in de richting naar den hoeksteen, die door Sippo gelegd is, waardoor nu zonneklaar gebleken is, dat deze een onrechtvaardige was.
naar boven
16. Het in tweeën scheuren
Maar behalve het scheefzakken deed het daarmee gepaard gaande scheuren, wat in Oost- en Westgevel over de volle hoogte gebeurde, den toren nog veel meer kwaad. Dat wisten ook de bouwers van den toren reeds en daarom hebben ze, voor zoover van hen afhing, alles gedaan, wat mogelijk was, om het gevaar voor de gevolgen er van te verminderen. Allereerst hebben ze onder het bouwen reeds de meeste, als ramen bedoelde, openingen dichtgemetseld en ze als nissen bewerkt. Ook de overige werden spoedig vol gemetseld, maar bovendien werd nog één voorzorg getroffen, die elders misschien nog weinig is voorgekomen en daarom ook hier vermeld moet worden. Ter hoogte van de balken, n.l. waarop de oude klokkenstoel rustte, zijn door ons in de muren rondgaande eiken balken ontdekt, die reeds tijdens den bouw ingemetseld moeten zijn geworden en op de hoeken door ijzeren stroppen aan elkander verbonden waren. Dit gebeurde zeker om daardoor het verder scheuren of althans het uitelkander wijken der twee deelen tegen te gaan. 't Is mogelijk, dat er meer van zulke ingemetselde balklagen bestaan, maar 't vinden er van zal moeilijk zijn. Wij hebben ook niet verder gezocht en vonden deze toevallig. Toch hielp helaas ook dit middel niet, want onze bouwmeesters hadden ook hier weer vijanden. De balken zijn n.l., alhoewel genomen van best hard eiken hout van 30 bij 30 centimeter zwaarte, toch zoo goed als geheel door den worm verteerd en het ijzer is door het daarop inwerken van de kalk in roest overgegaan. Noch van 't eene noch van 't andere is er iets meer over, dat nog een weinigje kracht bezit. Het ijzer van 5 bij 5 centimeter dikte is tot op 1 centimeter verteerd en van de balken is haast geen centimeter zonder wormgaten. Het schijnt, dat deze worm ook van een andere soort is dan de gewone, die geregeld in het spint van 't hout, ook van eiken, voorkomt, want de gaten zijn veel wijder en de hardste deelen van 't hout zelfs de noesten zijn nog niet gespaard. Alleen kan men zien, dat bij noesten de worm een weinig van richting is veranderd. Nauwkeurig gemeten zijn deze wormgaten in diameter meer dan dubbel zoo wijd als de gewone wormgaten. Nog een derde voorziening trof men, alhoewel eerst vele jaren later. In 1599 werden om het scheuren en verzakken beter tegen te gaan, de oost- en westelijke groote poortopeningen, die bestemd waren tot kerkingangen, dichtgemetseld. Maar daarbij gebeurde al weer iets eigenaardigs of iets stoms, zoo men wil, waarbij we een groot vraagteeken moeten plaatsen. Waarom heeft men bij 't dichten dezer openingen, waarbij het toch vooral op het versterken aankwam, en terwijl men er ter weerszijden in den toren een muur van een meter dikte in bouwde, deze muren niet direct op de fundamenten geplaatst, die daarvoor reeds bij den oorspronkelen bouw waren aangelegd en nu toch moesten worden gebruikt? Wist toen niemand van dat fundament en kon men dat niet onderzoeken, of er dieper nog muurwerk aanwezig was? En waarom liet men de tusschenruimte óók bij alle volgende herstellingen nog bestaan? Nu is deze voormetseling van ongeveer 1½ steen dikte tegen den veel dikkeren ouden muur aangebracht en toen men dezen niet dieper gefundeerd zag, meende men zeker dat men ook met de voormetseling niet lager behoefde te gaan; maar is dat verantwoord? Had men bij zulke verbeteringen een weinig verder gegraven, dan zou men ook de zoo groote scheuren in de fundeering hebben gevonden en deze waren allicht eeuwen eerder dan nu gesloten geworden, waardoor de toren ook eerder in beteren toestand gekomen zou zijn.
naar boven
17. De balklagen
Dat men naliet in den toren de gewelven te maken, die, wanneer die verzakking niet gekomen was, elke verdieping zouden hebben bekroond, en voor welke de aanzetstukken der graden en kapiteelen reeds gemaakt en de inkassingen gelaten zijn, spreekt wel haast van zelf. Deze waren immers te gevaarlijk voor invallen en ze zouden misschien den toren nog meer hebben verzwakt. Een kiekje op den uurwerkzolder genomen, vóór dit geplaatst werd, geeft nog even in den bovenhoek een begin der gewelfgraden aan; jammer dat 't kapiteeltje hierop onvoldoende belicht is geworden. In plaats van de gewelven, bracht men eenige eikenhouten balklagen aan, enkele met zolders bekleed. Zuinigheidshalve werden later bij vernieuwing van deze balken ook grenen in hun plaats gelegd, want, zoo heeft men zeker geredeneerd, de eiken blijken ook niet onvergankelijk. Ook deze waren, n.l. voorzoover ze in de muren lagen, terdege ingevreten door denzelfden grooten worm, die de reeds vroeger genoemde zoo vernielden. Doch in de deelen der balken buiten de muren kwam de worm blijkbaar zelden voor. Onverklaarbaar is het ook, dat men bij 't inbrengen van de nieuwe balken zulke groote gaten in de muren maakte en deze zoo goed als ongevuld liet, ja, ze alleen aan 't oog onttrok, door ze met een halfsteens muurtje, soms nog van veel te kleine steen, aan de voorzijde dicht te metselen.
naar boven
18. De klokkenstoel
De klokkenstoel, die op een driedubbele laag zware balken was opgesteld, bestond uit vier eiken gebinten naast elkaar, elk in drie onderdeelen opeen gebouwd, alles door kruisen versterkt, en onderling verbonden, maar, of men vroeger het handwerk zoo slecht verstond, of er zich zoo weinig moeite voor gaf, het is niet bekend, maar wel is 't ergerlijk, dat de pennen en gaten evenals andere houtverbindingen zoo slecht passende zijn gemaakt, dat men er soms wel een hand tusschen kon steken en dat waar toch zuivere sluiting werd vereischt. Waren die bouwmeesters meer metselaar en steenhouwer dan timmerman? De klokkenstoel had een hoogte van ruim 9 meter. De balken, waarop hij stond, lagen ter hoogte van den eersten trans en de tuimelbalken der klokken rustten er bovenop. Ze werden bewogen door middel van aan de tuimelbalken stevig verbonden horizontale balken, waarop ter weerszijden van de klokken beurtelings een paar mannen hun gewicht lieten rusten of er weer afsprongen.
naar boven
19. De klokken
De klokken hebben een gewicht van ± 4000 en 2500 kilogram. Ze zijn in 1633 en 1637 gegoten te Leeuwarden, beide in de voormalige kerk van Nyehove, die vóór haar afbraak nog lang als klokkegieterij dienst deed. Het is het tweede stel. Volgens Eekhoff kwam een der eerste klokken uit Kampen en wel in 1540, toen o.a. de Kerkvoogden bij aankomst, de voor de klok verschuldigde 100 gulden niet konden betalen en bij het Stedelijk bestuur om hulp moesten komen. Dit hielp, maar niet zonder hooge vergoeding daarvoor te eischen. De kerk moest daarvoor n.l. een vaste inkomst van 17 gulden 's jaars uit de Stadswaag opofferen. De klokken dragen de volgende opschriften. Op de groote klok staat, in den benedenrand in Duitsche letters: "Anno duysent ses hondert ende dry en dertich heeft my Hans Falck van Nuermberg ghegoten". "Publico denatos, ad templum convoco vivos, tristis, ovans, laetis letha trophaea cano." Van welk laatste volgens de tegenwoordige Leeuwarder deskundigen de beste vertaling is; die ook Eekhoff geeft: Ik kondig de dooden aan, treurende; roep de levenden op ter kerk, juichende; bij blijde gebeurtenissen doe ik vroolijke zegetonen hooren. Hooger, aan de voorzijde, boven het Stads Wapen, staat in kleinere Duitsche letters: "Ioris Gerits Camp (re?)presenterente burgemeester der stadt Leeuwarden." Boven, aan de andere zijde der klok, leest men in gelijke letters: "Aela van Burum ende Jan Hendrirks, boumeesters, ende Kerckvoochten der stadt Leeuwarden." Daar beneden beider fraai bewerkte wapens. En op de kleine klok in den benedenrand, in Romeinsche letters, het volgende versje: "Ick luyd de Luyden aen haer werck, Ick nood de Christnen tot Gods Kerck, Ick brom de Vreughd en Droefnis uyt, Luyd nochtans noyt off 'k word gheluydt". De bovenrand heeft: "In 't jaer ons Heeren CIC IC C XXXVII heeft mij Jacob Noteman in Leeuvvarden gegoten". Daaronder staat aan de voorzijde, boven het gekroonde Stads Wapen: "A. van BVRVM, praesiderende Burgemeester der Stad Leeuvvarden. SYBBE SYBBES, Burgemeester der Stad Leeuvvarden". Daar beneden zijn drie wapenschilden-aan de achterzijde staat: "Jan Hendrikx, ende Harmen Harkes Boumesters en de Kerkvoochden der Stadt Leeuvvarden".
naar boven
20. Het uurwerk
Het eerste uurwerk, waarvan melding gemaakt wordt, is van 1617 en dit moest weer vernieuwd worden in 1751. Maar dat tweede kon ook al niet langer mee dan tot 17 Augustus 1902, toen de "gemeentelijke toeziener op de tijdregeling" aan Burgemeester en Wethouders schreef, dat het zeer grootre herstellingen behoefde, doch dat het zeer was aan te raden, het geheel te vernieuwen.
naar boven
21. Algeheel verval van den toren
Maar toen was, behalve het uurwerk, zoo goed als alles, wat verslijten kon, ten einde. Wel was er sedert 1897 met korte tusschenpoozen zooveel mogelijk aan de vier beeren vernieuwd, maar meer was er dan ook niet gebeurd. Dit metselwerk werd in gewoon waalformaat uitgevoerd, omdat dergelijke steen het gemakkelijkst te krijgen was en beter dan grooter formaat, maar ook omdat het bovengedeelte van den toren toch reeds door zeer veel vroegere herstellingen zoo goed als geheel uit zulk een steensoort bestaat. Tegen een meer radicale herstelling van den geheelen toren werd erg opgezien. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan gebrek aan geld en de verplichting om in alles, wat de gemeente aanging, de grootst mogelijke zuinigheid te betrachten. Daaronder hebben niet alleen de laatste en ook de vroegere herstellingen geleden, maar de zuinigheid was zelfs oorzaak, dat de toren niet verder is opgetrokken, en de kerk voor welker aanbouw thans nog de uitgetande muren aan de westzijde bestaan,- achterwege bleef; dit alles is hoofdzakelijk aan gebrek aan geld te wijten. Toen men immers met den torenbouw lange jaren gesukkeld had, was het door de Reformatie met de oude eenheid in de Katholieke kerk gedaan. Het Protestantisme begon algemeen en ook hier overheerschend te worden en de geestelijkheid zag zich, behalve de macht om de steen- en kalkboeten op te leggen, ook het zedelijke overwicht ontnomen om tot de goede gaven van vroeger weer te kunnen opwekken. Daarbij kwam nog, dat er door het verzakken en scheuren van den toren gereede aanleiding bestond, om met den bouw niet door te gaan en de kerk, ook uit vrees voor verzakking, maar achterwege te laten, te meer omdat men op deze plaats nog een oude kerk bezat. Deze oude kerk heeft nog lang als zoodanig gediend, maar 't eindelijk toch wegens bouwvalligheid moeten afleggen. 3 Maart 1595 werd tot de afbraak besloten. Haar muren bleven als een omheining van de daarbinnen aanwezige graven nog een honderd jaar bestaan (tot 1706), doch toen was het ook met deze gedaan.
naar boven
22. Betere vooruitzichten
Maar gelukkig, bij al wat viel, onze toren bleef in hoofdzaak toch behouden. Alhoewel krakende en lang niet gezond, toch bleef hij (dank zij zijn best metselwerk) in zulk een staat, dat nog redding en herstelling mogelijk was. Nu men weer wat meer voor zulke monumenten ging gevoelen, kwam er ook kans, dat eenmaal nog een voldoend crediet zou worden toegestaan, om aan hem de meest noodige verbeteringen tot stand te kunnen brengen. Maar o, er moesten nog zoo vele jaren verloopen, voor die goede ideeën werkelijkheid zouden worden! Ook Leeuwarden ondervond jaren van druk en wel vooral door de malaise, die langen tijd over heel Friesland heerschte. In 1894, toen ik hier in December mijn ambt aanvaardde, waren de gevolgen van dien druk in alles merkbaar, ook aan de Oldehove. Reeds binnen een jaar was ik genoodzaakt, een hek om den toren te plaatsen, op zulk een afstand uit den voet, dat het van den toren vallende puin de voorbijgangers niet zou kunnen treffen. Reeds spoedig en vooral toen ik door 't zien van de goede photo's van onzen toren, mij door den Rijksbouwmeester, den Heer C.A. Peters, cadeau gedaan, nog meer voor hem begon te gevoelen,- heb ik hem dadelijk onder streng toezicht gesteld. Ik deed eenige scheuren op verschillende plaatsen dichtmetselen en oververven, om het weer opengaan dadelijk te kunnen constateeren en meten. Er werden geverfde opschriften bij die gedichte openingen geplaatst, om te onthouden, wanneer dit was geschied, en bij de volgende keeren, toen ze weer waren ontstaan, telkens opnieuw. Tot mijn spijt moest ik ondervinden, dat de toren nooit tot staan kwam, want telkens en telkens waren de scheuren bij opname weer los. Wel was geen verzakking merkbaar, maar wel een schuring der 2 deelen tegen elkaar. Vooral als de klokken geluid hadden, was dit weer erger, en daarom en ook omdat de klokkenstoel zoo recht min werd, stelde ik in de eerste vergadering van B. en W. na 31 Augustus van 1902 voor, om het luiden voor goed te staken, tot er een algeheele en deugdelijke verbetering van alles zou hebben plaatsgehad, waartoe werd besloten.
naar boven
23. Voorstel tot herstel
Gelukkig vond een paar jaren later een mijnerzijds gedaan voorstel tot deugdelijk herstel, in een zeer omvangrijk en dringend gesteld rapport aan Burgemeester en Wethouders gedaan, bij dit college en bij de commissie voor openbare werken een gunstig onthaal. Ook in den Raad was men algemeen vóór het niet langer uitstellen van de zoo dringend noodige herstellingen, maar de kosten waren bij velen een bezwaar en daarom werd op voorstel van den Heer Z. S. Feddema besloten eerst te beproeven, of voor dit groote werk ook Rijkssteun kon worden verkregen. Werd die verleend, dan was er geen verder bezwaar. En zonder veel moeite werd al heel spoedig van Rijkswege een bedrag van 50% in de kosten toegestaan, uiterlijk tot 12.500 gulden, welke limiet later tot 15000 is verhoogd. Maar dat toestaan van zulke groote sommen door Rijk en Gemeente bleef niet zonder critiek. Er waren nog velen, ook hier in de stad, die de Oldehove als een grooten steenklomp, een waardeloos, mislukt product beschouwden en het zonde vonden, daaraan zooveel geld te besteden, en heel natuurlijk vonden deze nurksen bij velen nog gehoor. Maar gelukkig, die tegenstand was niet overwegend, en hoe meer we vorderden met onze herstellingen, hoe meer wonnen we de publieke opinie voor de Oldehove. Maar al gevoelde men nog niet zoo heel veel voor 't gebouw, voor de klokken was men altijd zeer gevoelig. Een Fries houdt nu eenmaal van klokluiden en omdat die van de Oldehove de grootste van heel Friesland zijn, worden ze vooral in hooge eere gehouden. Het moge dan ook kosten wat het wil, zei men, de klokken moeten weer kunnen luiden, als voorheen. Daarom werd een aanbod, om ze goedkoopheidshalve aan een paar balken op te hangen en een uurwerk te maken, dat in het tempo van luiden een hamer op de klokken kon doen slaan, niet eens overwogen. Men wilde het echte luiden, het beieren, weer, anders niet. Wanneer de Friezen dan ook maar denken aan 't luiden der klokken van de Oldehove, dan schiet zelfs bij velen hunner de dichtader los en vindt men in haast elke courant een versje op oud of nieuw rijm, maar meest in den Frieschen tongval, dat den lof dier klokken en daarmee dien van de Oldehove verkondigt. Zie hier bijv. een uit vele:
Klokken fen us Aldehou,
Bylje, droan oer Heitlâns mieden,
Sjong yn klanken âffaers dieden,
Sjong us fen âld fryske trou.
Aldehou! Aldehou!
Oan dyn foet griis, heech gebou,
Rest it scaei fen stoere lieuwen,
't Stof forsamle troch de ieuwen,
Leit yn 't skaed fen 't âld gebou
Fen us fryske Aldehou.
Klokken fen us Aldehou,
Klink yn bliere Heechtiids dagen,
Sjong fen frede en wolbehagen,
Sjong yn bliidscip, klei yn rou,
Aldehou! Aldehou!
naar boven
24. Verbeteringsplannen
Vóór de zoo gunstige besluiten door de Hooge Regeering en den Gemeenteraad nog werden genomen, waren behalve genoemd rapport dezerzijds, zoowel in geschrifte als op teekening, de vele herstellingen voorbereid en daarvan plannen gemaakt. Gelukkig behoefden ze bij de uitvoering slechts geringe wijzigingen te ondergaan. Voor den klokkenstoel meende ik dadelijk te moeten breken met dat oude idee houtconstructie, en profielijzer te moeten voorslaan, omdat dit allereerst veel lichter, tweedens veel sterker, derdens veel minder onderhevig is aan gebreken en eindelijk niet veel duurder is dan hout. In dat gevoelen werd ik versterkt, toen ik in een Duitsch technisch tijdschrift de beschrijving vond van de St.-Pauluskerk te München, waarin een dergelijke hooge klokkenstoel, als wij hier noodig hadden, is geplaatst. Ik nam dit plan over en had het genoegen, dat de Heer J. van Hasselt, Oud-Directeur der gemeentewerken te Amsterdam, die lid werd van de van Rijkswege gevorderde Commissie van Toezicht op de herstellingswerken, ook zulk een klokkenstoel kon goedvinden en daarin de spanningen, bij het luiden der klokken opgewekt, berekende. Was het niet te lang, dan zou ik gaarne de door den Heer Van Hasselt gegeven beschrijving en berekening van den klokkenstoel hierachter hebben laten volgen. Om de scheuren en vele openingen, die zich in den toren bevonden, goed en degelijk te kunnen vullen, stelde ik voor, de bij het restaureeren van oude gebouwen, ook door den Ing. A. Wolfsholz in Duitschland gevolgde wijze van volspuiten met cementspecie, door middel van een daarvoor geschikt toestel, toe te passen. In Engeland is het, zooals nog later bleek, vooral de Ingenieur-Architect Francis Fox, die ook bij het restaureeren van oude bouwwerken een dergelijke machine gebruikt en misschien reeds eerder dan Ing. W.
naar boven
|
|