Onderwijs
De ontwrichting van het maatschappelijk leven, die het gevolg was van de bezettingsjaren, had ook op het onderwijs een desorganiserende invloed gehad. Toen men in 1945 na de bevrijding de balans kon gaan opmaken, kon men niet anders constateren dan dat het onderwijs in alle opzichten in een deplorabele staat verkeerde.
Van de schoolgebouwen was een groot deel door de Duitsers voor militaire doeleinden gebruikt, terwijl andere waren benut voor het onderbrengen van geëvacueerden of voor andere zaken, die met onderwijs niets uitstaande hadden. De gevolgen van dit gebruik waren voor de gebouwen vaak ruïneus. Ook het meubilair, voorzover men dit althans voor vernieling had kunnen behoeden, had vaak ernstig geleden, terwijl de leermiddelen eveneens in vele gevallen grote schade hadden opgelopen of soms zelfs geheel waren verdwenen. Wanneer men bovendien bedenkt, dat in 1945 nieuw meubilair en leermiddelen niet te verkrijgen waren en dat verschillende schoolbehoeften, zoals papier, nauwelijks of, zoals pennen, in het geheel niet konden worden geleverd, is het wel duidelijk, dat het weer op gang brengen van het onderwijs een schier onmogelijke taak was.
Om toch zo goed en zo kwaad als het ging weer te kunnen beginnen moesten vaak allerlei noodoplossingen gecreëerd worden. Verscheidene scholen hebben geruime tijd bij elkaar moeten “inwonen”, waarbij dan de klassen beurtelings op verschillende tijden naar school gingen. Een extra handicap vormde het brandstofgebrek, dat er oorzaak van was, dat verschillende scholen nog in de winter van 1946-’47 geruime tijd, sommige kleuterscholen zelfs enkele maanden, gesloten moesten blijven.
Was dus in materieel opzicht de situatie bij het onderwijs zorgwekkend, ook het moreel van de leerlingen kon oorzaak zijn van verontrusting. Deze verontrusting was voor enkele organisaties van onderwijzers zelfs aanleiding om gezamenlijk een commissie te vormen, die opdracht kreeg een onderzoek in te stellen naar de “verwording der schooljeugd”. Hoewel de commissie in haar rapport van mei 1946 enkele ontstellende feiten moet melden, blijkt het over de gehele linie met de morele ontreddering nog wel iets mee te vallen. De commissie heeft althans slechts aan een tweetal scholen een “daadwerkelijke verwildering” kunnen constateren. Wel verontrustend acht men de omvang, die het schoolverzuim heeft aangenomen, al wordt dit kennelijk sterk beïnvloed door gebrek aan kleding, schoeisel e.d. Typerend is in dit opzicht het geval van de moeder, die aan het hoofd der school bericht: “Eerst klompen en anders stuur ik mijn kinderen niet meer”. Waarschijnlijk zijn de klompen er wel gekomen, want er werd op ruime schaal kleding en schoeisel verstrekt. Zo werd b.v. door de vereniging Tot Opbouw aan rond 2.000 schoolkinderen kleding uitgereikt. Ook aan de voeding werd aandacht geschonken. Enkele malen kon door tussenkomst van het Rode Kruis een uitreiking van sinaasappelen en chocolade plaats vinden, terwijl aan een aantal scholen gedurende een zekere periode aan de leerlingen warme maaltijden werden verstrekt.
Men vraagt zich af hoe het mogelijk is, dat in de hier geschetste omstandigheden nog iets van het onderwijs kon terechtkomen. En toch heeft de toen opgroeiende generatie, die nu in 1965 de groep jong volwassenen vormt, blijkbaar voldoende onderwijs gehad om zich in de huidige maatschappij te kunnen handhaven.
Dat dit resultaat bereikt kon worden, dwingt, zeker wanneer men een vergelijking maakt met de situatie, waarin in 1965 kan worden gewerkt, tot bewondering voor de prestaties van het onderwijzend personeel in de naoorlogse jaren.
Nieuwe ontwikkelingen
De bevrijding luidde in 1945 voor het onderwijs niet alleen een periode van wederopbouw in, maar ook een tijdperk, waarin belangrijke nieuwe ontwikkelingen op onderwijskundig terrein zich zouden voltrekken of een aanvang zouden nemen. Deze ontwikkelingen betroffen zowel de inhoud en de methoden van het onderwijs als de omvang en aard van de onderwijskundige voorzieningen, de leerlingenaantallen, de huisvesting van de onderwijsinrichtingen, het personeel en de bijkomende voorzieningen ten dienste van het onderwijs. Mede door de aandacht en de zorg van overheid en schoolbesturen konden deze ontwikkelingen zich voltrekken in die mate als in de jaren 1945 - 1965 het geval is geweest. Hoewel stellig niet alle facetten hiervan hun weerspiegeling vinden in het financiële vlak, kunnen toch de met de zorg voor het onderwijs gemoeide geldsbedragen een duidelijke aanwijzing vormen voor de omvang van de hier bedoelde ontwikkelingsverschijnselen.Wanneer we zien, dat in deze periode de uitgaven voor b.v. het gewoon lager onderwijs bijna verzesvoudigd werden, die voor het buitengewoon lager onderwijs tot het vijventwintigvoudige (!) opliepen en de kosten van het nijverheidsonderwijs stegen tot vierentwintig maal het bedrag van 1945, dan zijn dit bepaald geen getallen, die kunnen worden verklaard uit verschijnselen als prijsstijging en geldontwaarding, maar kan hierin wel degelijk een bewijs worden gezien voor de stelling, dat het onderwijs in Leeuwarden in de laatste twintig jaar een indrukwekkende ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Inhoud en methoden van het onderwijs
De in 1945 alom gehanteerde leuze “herstel en vernieuwing” kon ook in onderwijskringen worden gehoord. Hier gold echter niet, wat op vele andere terreinen des levens wel een realiteit bleek, dat na de voltooiing van het herstel de lust tot vernieuwing al weer vrijwel bleek te zijn weggeëbd. Integendeel, de roep om onderwijsvernieuwing bleef klinken en is ook heden ten dage nog een levende klank en wellicht mogen wij daar wel dankbaar voor zijn. Het is immers de vraag of zonder deze voortdurende vernieuwingsdrang de ontwikkeling van het onderwijs wel enigermate gelijke tred zou kunnen houden met die van maatschappij en wetenschap. Talrijke vernieuwings- en applicatiecursussen, die aan het vernieuwingswerk een deugdelijke grondslag beoogden te geven, werden sinds 1945 georganiseerd. Met betrekking tot de organisatie hiervan mogen vooral de pedagogische centra en de vakorganisaties met ere worden genoemd.
Vernieuwing kwam niet alleen tot uiting in het bezigen van andere onderwijsmethoden, maar ook in nieuwe vakken of een andere interpretatie van bestaande vakken. Zo kregen b.v. de expressievakken veel meer aandacht, terwijl, vooral in de laatste jaren, de muzische vorming meer op de voorgrond treedt. Het vak verkeersonderwijs, als onderdeel van het vak aardrijkskunde al in de lesprogramma’s binnengeslopen, werd in 1964 als een afzonderlijk, verplicht, vak voor het lager onderwijs in de wet opgenomen, terwijl in datzelfde jaar het vak zingen werd vervangen door muzikale vorming.
Niet onvermeld mag hier blijven, dat naast de al bestaande mogelijkheid om de Friese taal als vak bij het lager onderwijs en het v.h.m.o. te onderwijzen, in 1955 de lageronderwijswet 1920 ook de mogelijkheid opende om in de eerste twee leerjaren van het gewoon lager onderwijs het Fries als voertaal te gebruiken. Van de eerste mogelijkheid (het ontvangen van onderwijs in de Friese taal) is door de schooljeugd in Leeuwarden slechts een spaarzaam gebruik gemaakt. De tweede mogelijkheid leidde in september 1959 tot het invoeren van tweetalig onderwijs op de openbare Wiardaskoalle in Goutum. Aan de onderwijzers, in het bezit van de Friese akte, kende de gemeenteraad vanaf 1947 een extra beloning toe.
Een zeker vernieuwing voltrok zich ook in de gebruikte leermiddelen en schoolbehoeften. Het aloude lesplankje is nog steeds een niet geheel onbekende verschijning, maar overigens zijn voor vrijwel alle vakken talrijke nieuwe methoden verschenen. Als laatste ontwikkeling heeft zich met name voor het voortgezet onderwijs aangediend de geprogrammeerde instructie. Ook de ontwikkeling van de techniek deed haar invloed gelden en zeker niet alleen in die zin, dat de kroontjespen langzaam terrein verliest aan de balpen. De schoolradio is reeds lang ingeburgerd, maar ook de film- en diaprojector en, in iets mindere mate, de bandrecorder zijn in vele scholen al een vertrouwd hulpmiddel geworden. De schooltelevisie heeft in Leeuwarden nog geen vaste voet gekregen, maar alle door de gemeente te bouwen scholen worden sinds 1965 voorzien van een loze leiding voor televisieaansluiting, zodat ook ten aanzien van deze ontwikkeling in feite de eerste stap al gezet is. Tenslotte kan nog worden genoemd het talenpracticum, in Leeuwarden nog niet gerealiseerd, maar zowel bij de gemeentebestuur als bij andere instanties een onderwerp van studie en naar het zich laat aanzien een project, dat binnen afzienbare tijd zal worden verwezenlijkt.
Omvang van de onderwijsvoorziening
De omvang van het onderwijs in Leeuwarden laat zich zowel beschouwen vanuit het gezichtspunt aantallen leerlingen als vanuit het oogpunt aantallen en soorten scholen en opleidingen. In beide opzichten hebben zich in de laatste twintig jaren opmerkelijke ontwikkelingen voorgedaan. Wat de leerlingenaantallen betreft, zij verwezen naar het bijgevoegde overzicht, waaruit het verloop bij de verschillende soorten onderwijs valt af te lezen. Hieruit blijkt b.v., dat het gewoon lager onderwijs uiteindelijk geen opmerkelijke groei te zien geeft, maar dat in de sectoren kleuteronderwijs en voortgezet onderwijs van een zeer belangrijke groei sprake is. De betrekkelijk stabiele situatie bij het gewoon lager onderwijs kan gevoeglijk worden verklaard uit de vrij geringe bevolkingstoeneming van Leeuwarden en het na 1947 teruglopende geboortecijfer. Voor de groei bij verschillende ander takken van onderwijs kan een aantal oorzaken worden genoemd. De belangrijkste zijn waarschijnlijk wel de, mede door de verbeterde subsidiemogelijkheden (b.v. de kleuteronderwijswet!) sterke uitbreiding van de gelegenheid om onderwijs te ontvangen, de verlenging van de leerplicht en de grote toeneming van het verlangen om na het doorlopen van de gewone lager school een passende vorm van voortgezet onderwijs te ontvangen. Vooral deze laatste factor, het verlangen van meer en passend onderwijs, gezien in samenhang met de eisen, die de maatschappij is gaan stellen, heeft de overheid en schoolbesturen voor de opdracht gesteld aan de mogelijkheden voor het volgen van een passende opleiding de nodige uitbreiding te geven. Of deze opdracht in alle opzichten volledig is vervuld, moge aan het meer objectieve oordeel van buitenstaanders worden overgelaten, maar dat de inspanning van gemeente- en schoolbesturen in de periode 1945 - 1965 voor de onderwijsmogelijkheden in Leeuwarden belangrijke resultaten hebben gehad, staat wel vast. De feiten, waarmee dit kan worden aangetoond, zijn, gerangschikt naar de verschillende soorten onderwijs, de volgende.
Kleuteronderwijs
In 1945 hield de gemeente zes kleuterscholen in stand, alle gehuisvest in oude schoolgebouwen. Voorzover bekend waren er toen elf niet gemeentelijke schooltjes. Exacte gegevens zijn hierover echter niet beschikbaar, omdat in die jaren nogal eens particuliere kleuterklasjes werden gevormd, die na kortere of langere tijd weer geruisloos verdwenen. Wettelijke eisen, waaraan de gebouwen, de onderwijzeressen en het onderwijs moesten voldoen, waren er niet en naar de tegenwoordige maatstaven gerekend kon men soms nauwelijks van kleuteronderwijs spraken. De toen gebruikelijke aanduiding “bewaarschool” gaf inderdaad beter de werkelijkheid weer.
Een belangrijke stimulans voor het streven naar beter kleuteronderwijs vormde het, oorspronkelijk al van 1926 daterende, besluit van de gemeenteraad om het bijzonder kleuteronderwijs, dat aan bepaalde voorwaarden voldeed, met een bepaald bedrag per jaar per leerkracht uit de gemeentekas te subsidiëren. Bedroeg dit subsidie in 1945 nog slechts ƒ 300,- per leerkracht, in 1950 was dit bedrag al opgelopen tot ƒ 1.500,-, terwijl het uiteindelijk in 1955 een hoogte van ƒ 3.500,- bereikte. Daarnaast verleende de gemeente bijdragen in de kosten van stichting van nieuwe schoolgebouwen, bijdragen, die bij de nadering van de inwerktreding van de kleuteronderwijswet zelfs opliepen tot 100 % van de stichtingskosten.
De hier genoemde kleuteronderwijswet, die op 1 januari 1956 in werking trad, betekende het begin van geheel nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor het kleuteronderwijs. Deze wet immers gaat uit van het beginsel van een volledige kostenvergoeding door het Rijk van het openbaar- en bijzonder kleuteronderwijs. Weliswaar brengt de wijze, waarop dit beginsel in praktijk wordt gebracht, met zich mee, dat de gemeente Leeuwarden vrij belangrijke bedragen moet bijpassen, maar dit neemt niet weg, dat na 1956 het kleuteronderwijs in deze gemeente een belangrijke ontwikkeling, zowel kwantitatief als kwalitatief, te zien heeft gegeven. Na tien jaren kleuteronderwijswet is het aantal scholen in Leeuwarden dan ook gestegen tot vijftien voor het openbaar- en zeventien voor het bijzonder onderwijs.
Gewoon lager onderwijs
Het aantal openbare scholen voor gewoon lager onderwijs bedroeg in 1945 voor het stedelijk deel der gemeente achttien met daarnaast nog de scholen in Goutum, Hempens, Lekkum en Wirdum. In 1965 was dit aantal gestegen tot twintig stedelijke scholen, met daarnaast nog steeds de vier dorpsscholen, die met het oog op hun geringe leerlingental echter slechts krachtens een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd raadsbesluit in stand kunnen worden gehouden.
Het aantal bijzondere scholen bedroeg in 1945 in totaal zeventien, waarvan twee dorpsscholen (Wirdum en Wytgaard). Dit aantal was in 1965 gestegen tot vierentwintig, inclusief de beide dorpsscholen. De uitbreiding van het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs vond, zoals wel voor de hand ligt, in hoofdzaak plaats in de nieuwe stadswijken. Dit verschijnsel spreekt nog duidelijker, wanneer men in aanmerking neemt, dat alleen al van de in de oude binnenstad van Leeuwarden gevestigde scholen er sinds 1945 zes wegens het teruglopen van het aantal leerlingen moesten worden opgeheven.
Voortgezet gewoon lager onderwijs
De aanvankelijk nog aan verschillende scholen verbonden 7e en 8e leerjaren moesten tengevolge van een wijziging van de lager onderwijswet 1920 successievelijk verdwijnen. Voor het voortgezet gewoon lager onderwijs was men dientengevolge aangewezen op de openbare Vijverscholen (in 1963 samengevoegd tot één school) en op de Protestants-Christelijke Marnixschool. Het onderwijs aan deze scholen is in de laatste vijf jaren enigermate van karakter veranderd, omdat het zich meer dan vroeger gaat richten op (voor) opleiding voor bepaalde beroepen. Afzonderlijk moet genoemd worden de openbare Brugschool, omdat deze zich uitsluitend toelegt op het voorbereiden van leerlingen op het volgen van voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs.
Uitgebreid lager onderwijs
In 1945 telde het uitgebreid lager onderwijs in Leeuwarden twee openbare-, twee Potestants-Christelijke- en twee Rooms-Katholieke scholen. Deze aantallen waren in 1965 vier voor het openbare, vier voor het Protestants-Christelijke en twee voor het Rooms-Katholieke onderwijs. In totaal dus een stijging van zes naar tien scholen.
Buitengewoon lager onderwijs
Op het terrein van het buitengewoon lager onderwijs hebben zich in de afgelopen twintig jaren vrij ingrijpende veranderingen voltrokken, niet alleen in de zin van een verbreding van reeds bestaande mogelijkheden, maar vooral ook door het brengen van een grotere differentiatie in de onderwijsmogelijkheden voor kinderen, die door bepaalde oorzaken het gewone onderwijs niet kunnen volgen. Deze uitbouw is enerzijds bevorderd door de betere mogelijkheden die door nieuwe wettelijke regelingen (het op 1 januari 1950 in werking getreden besluit buitengewoon lager onderwijs 1949 en het besluit stichtingskosten buitengewoon lager onderwijs, dat op 1 januari 1959 van kracht werd) worden geboden, maar was anderzijds slechts mogelijk, doordat zowel bij bestuurders als bij de onderwijsmensen meer inzicht en begrip groeide ten aanzien van het “afwijkende kind”. Aan dit begrip heeft het gelukkig ook in Leeuwarden bij de verantwoordelijke instanties en personen niet ontbroken en dit heeft tot gevolg gehad, dat het buitengewoon lager onderwijs in 1965 een geheel ander, we mogen gerust zeggen een veel gunstiger beeld vertoonde, dan in 1945 nog het geval was. In laatstgenoemd jaar bestond het buitengewoon lager onderwijs in Leeuwarden alleen uit de openbare school voor zwakzinnige kinderen aan het St. Jobsleen, later genoemd de Prinsentuinschool. Wel waren er ook al de openbare en de Protestants-Christelijke school voor schipperskinderen, maar deze scholen werden pas bij de inwerkingtreding van het besluit buitengewoon lager onderwijs 1949 onder het buitengewoon lager onderwijs gerangschikt. Ook de toen al bestaande school voor ziekelijke kinderen bleef tot 1 januari 1950 eveneens tot het gewoon lager onderwijs behoren.De Prinsentuinschool kreeg in 1951 een Protestants-Christelijke pendant in de vorm van de Da Costaschool. Beide scholen waren bestemd zowel voor debiele als voor imbeciele kinderen en voor beide gold daarom ook de wenselijkheid om de school te splitsen, opdat deze twee categorieën kinderen ieder in een geheel eigen, aan hun mogelijkheden en behoeften aangepast milieu zouden kunnen worden opgevangen. Voor de Prinsentuinschool vond deze splitsing - waarbij aan de imbecielenschool het eerste vrouwelijke hoofd van een lagere school in Leeuwarden haar intrede deed - plaats met ingang van 1 september 1956. Voorlopig was dit alleen nog maar een organisatorische splitsing, want de ruimtelijke scheiding moest wachten tot in mei 1960 de nieuwe school voor imbecielen aan het Schapendijkje, de Dr. van Voorthuysenschool, in gebruik kon worden genomen. De splitsing van de Da Costaschool vond plaats, toen op 1 april 1958 de school voor imbecielen kon worden overgebracht in de oude St. Vitusschool aan de Speelmansstraat. De debielenschool bleef gevestigd in de tot school verbouwde woning Droevendal 1, tot eind 1960, toen het nieuwe schoolgebouw aan de Schieringerweg in gebruik kon worden genomen.
Een Rooms-Katholieke school voor zwakzinnigen kwam tot stand met de oprichting op 1 september van de St. Petrusschool, die in januari 1963 werd gehuisvest in een noodschool aan de Badweg.
De reeds genoemde school voor ziekelijke kinderen, de Buitenschool, die zich reeds geleidelijk ontwikkelde in de richting van een onderwijsinstituut, waar de zorg voor de geestelijke èn de lichamelijke ontwikkeling van het kind als één geheel werd gezien, trad een geheel nieuwe ontwikkelingsfase in, toen op 14 september 1961 een nieuw en uiterst modern schoolgebouw door Prinses Beatrix officieel in gebruik werd gesteld. Dit gebouw, dat door de Vereniging Parkherstellingsoord tot stand kon worden gebracht dan zij de, vooral financiële medewerking van het gemeentebestuur, is op de modernste wijze uitgerust om de leerlingen, naast het eigenlijke onderwijs, een volledige verzorging en voeding alsmede de nodige medische-, paramedische- en sociale begeleiding te kunnen verschaffen. Met deze outillage en een staf van deskundige medewerkers biedt deze Buitenschool een voorbeeld van een complete vorm van buitengewoon onderwijs.
Een kleine loot aan de nog steeds groeiende stam van het buitengewoon lager onderwijs, maar daarom voor de betreffende groep leerlingen niet minder belangrijk, vormt de in 1952 tot stand gekomen klas voor “kinderen wier ouders een trekkend bestaan leiden”, kortweg gezegd de woonwagenkampklas. Als dependance van de Aebingaschool is deze klas, waarvan het leerlingental zo tussen de 5 en 25 pleegt te schommelen, ondergebracht in een verenigingsgebouw in het plaatselijke woonwagenkamp.
Een belangrijke ontwikkeling in het buitengewoon lager onderwijs diende zich aan, toen ongeveer halverwege de jaren vijftig de gedachte meer algemeen veld begon te winnen, dat ook voor leerlingen van het gewoon lager onderwijs, die, hoewel verstandelijk normaal begaafd, door bepaalde leermoeilijkheden dit onderwijs bezwaarlijk bleken te kunnen volgen, een vorm van buitengewoon onderwijs wenselijk zou kunnen zijn. Hoewel het denkbeeld van stichting van een aparte school voor deze leerlingen, een school dus voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, al in 1957 bij het gemeentebestuur aanhangig was, duurde het nog, ook al omdat er aanvankelijk eenvoudig geen geld voor was, tot 1960, voor er een definitief standpunt ten gunste van de oprichting van een z.g. l.o.m.-school werd ingenomen. Terzelfder tijd was de gedachte ook in de kring van het Protestants-Christelijk onderwijs in overweging en in goede verstandhouding gevoerd overleg leidde er uiteindelijk toe, dat de gemeenteraad in de vergadering van 7 december 1960 kon besluiten zowel tot stichting van een openbare school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden als tot het verlenen van medewerking voor de oprichting van een soortgelijke school van Protestants-Christelijke signatuur. Beide scholen werden in de loop van 1961 geopend en ontwikkelden zich voorspoedig, zij het, dat de huisvesting bijzonder grote moeilijkheden opleverde. De openbare school heeft in 1964 na drie (!) voorafgaande verhuizingen uiteindelijk een uitstekend houten gebouw aan de Verdistraat kunnen betrekken, maar de problemen van de bijzondere school zijn in dit opzicht in 1965 nog niet opgelost.
Een beschrijving van het buitengewoon lager onderwijs zou niet compleet zijn, wanneer niet een nauw met dit onderwijs samenhangend stukje nazorg werd genoemd, te weten de cursussen voor oud-leerlingen van het buitengewoon lager onderwijs. Uitgaande van de desbetreffende scholen voor zwakzinnige kinderen werd in 1948 gestart met een openbare- en in 1951 met een Protestants-Christelijke avondcursus, die beide uit de gemeentekas worden gesubsidieerd en ook nog een kleine provinciale bijdrage krijgen. Bovendien bestaat sinds enkele jaren een (nog) niet gesubsidieerde Rooms-Katholieke cursus.
Voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs
Wanneer men afziet van de kwantitatieve groei, biedt het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden in 1965 een beeld, dat op het eerste gezicht niet essentieel afwijkt van de situatie in 1945. Als nieuwe opleidingsmogelijkheden kunnen worden genoemd de afdeling middelbare school voor meisjes van de Christelijke h.b.s. en de in 1957 gestarte Christelijke middelbare handelsavondschool, terwijl in 1950 de gemeentelijke lagere avondhandelsschool werd omgezet in een middelbare handelsavondschool met 3- en 5-jarige cursus. Voor het overige is de geschakeerdheid van het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs niet toegenomen, al moet hier voor een goed begrip wel bij worden opgemerkt, dat het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden, wanneer men afziet van de door velen betreurde afwezigheid van een lyceum, een vrij compleet geheel vormt.Uit het ontbreken van spectaculaire veranderingen mag niet worden afgeleid, dat het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs een starre onveranderlijke grootheid in het onderwijsbestel vormt. Integendeel, de betekenis van met name het laatste deel van de periode 1945 - 1965 is vooral gelegen in de voorbereiding van maatregelen om aan het gehele voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs een andere, doelmatiger en beter aan de moderne eisen voldoende structuur te geven. Een belangrijke factor vormde hierbij uiteraard de nieuwe wet op het voorgezet onderwijs (“Mammoetwet”), die na jarenlange voorbereiding in 1963 het Staatsblad bereikte.
Voor wat het gemeentelijk voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs betreft, moet hier worden genoemd het in 1963 uitgebrachte rapport van een door burgemeester en wethouders ingestelde studiecommissie. Mede naar aanleiding van dit rapport besloot de gemeenteraad in 1964 in principe tot het stichten van een geheel nieuw scholencomplex, waarin, voorzover mogelijk, met behoud van de zelfstandigheid en het eigen karakter van de verschillende schooltypen, de drie gemeentelijke dagscholen (de meisjes-h.b.s. en middelbare school voor meisjes, de h.b.s.-A en het gymnasium) zullen worden samengebracht. In de terminologie van de wet op het voortgezet onderwijs gesproken zullen in dit scholencomplex dus op den duur een gymnasium, een atheneum A en B en een h.a.v.o.-opleiding een plaats vinden. Aan het bouwplan voor dit in het Aldlân te situeren complex werd eind 1965 hard gewerkt.
Ook voor het rijks voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs, tot dusver alleen de rijks h.b.s.-B omvattend, is een nieuwe structuur in voorbereiding en als de voortekenen niet bedriegen, zal deze waarschijnlijk leiden tot een opzet, die veel trekken van overeenkomst met die van het gemeentelijke complex zal hebben. In de kring van het Protestants-Christelijke voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs tenslotte is eveneens beraad gaande om te komen tot een nieuwe vormgeving van het van deze richting uitgaande voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden. Geconstateerd kan dus worden, dat in 1965 een basis was gelegd, waarop binnen enkele jaren een geheel nieuwe onderwijsstructuur kan worden opgebouwd.
Nijverheidsonderwijs
De meest opvallende groei, niet alleen naar de omvang, maar ook wat betreft de variatie in opleidingsmogelijkheden, heeft ongetwijfeld het nijverheidsonderwijs te zien gegeven. Legio was het aantal gevallen, waarin door de gemeenteraad een z.g. nodigverklaring voor de stichting van een nieuwe school of opleiding werd afgegeven (alleen al in de periode van 1953 t/m 1965 niet minder dan 58!), meestal na korter of langer tijd gevolgd door toekenning van rijkssubsidie.Zonder ook maar enigszins op volledigheid aanspraak te maken, volgt hierna een opsomming van een aantal nieuwe scholen en cursussen, die sinds 1945 werden gesticht of waaraan voor het eerst rijkssubsidie werd toegekend.
- Opleiding van leerkrachten voor het nijverheidsonderwijs (1948).
- R.K. huishoudschool (1952).
- Bakkersvakschool (1955), in 1957 uitgebreid met een avondschool.
- Uitgebreid technische school (1958), in 1963 uitgebreid met een afdeling elektrotechniek.
- Christelijke lagere technische school (1960).
- Middelbare kunstnijverheidsschool (1961).
- Algemene detailhandelsvakschool (1962).
- Patroonscursus aan de slagersvakschool.
- Christelijke opleidingsschool voor gezinsverzorgsters.
- Tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool (1964).
- Vooropleiding lerares aan de Christelijke huishoudschool (1963).
- Opleiding individueel nijverheidsonderwijs aan de tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool.
In 1965 nog niet gestart, maar wel in een vèrgaand stadium van voorbereiding waren o.m. een algemene en een christelijke school voor individueel technisch onderwijs, een algemene middelbare detailhandelsvakschool en een tweede christelijke industrie- en huishoudschool. Afzonderlijke vermelding verdient nog het voorlichtingscentrum Het Baken, dat sinds 1955 voor een aantal opleidingen eveneens een rijkssubsidie ingevolge de nijverheidsonderwijswet ontvangt. Ook mag hier, al behoort deze school formeel niet tot het nijverheidsonderwijs, wel worden gereleveerd de oprichting in 1954 van de Bijzondere hogere landbouwschool.
Met de reeds bestaande opleidingen, waarvan volledigheidshalve de hogere technische school (vroeger m.t.s.) en de lagere technische school nog wel mogen worden genoemd, heeft de hiervoor beknopt geschetste ontwikkeling er toe geleid, dat Leeuwarden in 1965 een rijk geschakeerd patroon van nijverheidsonderwijs heeft te bieden.
Het kweekschoolonderwijs
Op het gebied van de onderwijzersopleiding bouwden de Rijkskweekschool en de Hervormde kweekschool hun opleiding onder de werking van de nieuwe kweekschoolwet van 1952 verder uit. Nieuwe vormen van kweekschoolonderwijs vonden hun basis in de kleuteronderwijswet. Nadat reeds jarenlang particuliere opleidingen op verdienstelijke wijze de opleiding van leidsters bij het kleuteronderwijs ter hand hadden genomen, konden, na het van kracht worden van deze wet op 1 januari 1956, de gemeentelijke en de christelijke opleidingsschool voor kleuterleidsters, dank zij de toekenning van volledig rijkssubsidie, tot volwaardige dagopleidingen uitgroeien. Een Rooms-Katholieke opleiding bleek na enkele jaren niet levensvatbaar te zijn.
Andere onderwijsvormen
Een bespreking van het onderwijs in Leeuwarden zou niet volledig zijn, wanneer daarin niets zou worden gezegd over de Fryske Akademy. Hoewel dit unieke instituut in de eerste plaats is opgezet als een centrum van wetenschappelijk onderzoek, heeft het in de loop der jaren daarnaast ook steeds maar een taak op het gebied van het eigenlijke onderwijs op zich genomen. Reeds in 1947 werd begonnen met de organisatie van een cursus voortgezet bouwkunstonderricht. Daarnaast zijn onder auspiciën van de Fryske Akademy in 1947 tot stand gekomen de Noordelijke Leergangen, die een opleiding bieden voor verschillende middelbare akten. Nadat aanvankelijk alleen een opleiding in Leeuwarden werd gegeven, hebben de leergangen naderhand hun werkterrein ook uitgebreid tot de steden Groningen en Zwolle. Voorts worden door de Akademy o.m. nog opleidingen verzorgd voor kleuterpedagogiek, voor leeszaalassistente en voor het buitengewoon onderwijs.
Aparte vermelding eist nog de ook onder de hoede van de Fryske Akademy staande, in 1960 tot stand gekomen Bestuursacademie voor Friesland. Deze instelling, die tot stand kwam in samenwerking met gemeentebesturen en particuliere opleiders, biedt een complete part-time dagopleiding voor bestuursambtenaren van provincie en gemeente en was bij de oprichting een unicum in den lande. Het Friese voorbeeld heeft inmiddels in verscheidene andere provincies navolging gevonden.
Als laatste in de rij van onderwijsvormen kan tenslotte nog worden gewezen op het werk van de instellingen, die zich toeleggen op het geven van een zekere algemene vorming aan in het bedrijfsleven werkzame jongeren. De spits werd hier afgebeten door de in 1952 opgerichte Mater Amabilisschool (R.K.), in 1956 gevolgd door de stichtingen Ontwikkeling Bedrijfsjeugd en De Zonnebloem.
Helaas kan dit overzicht niet besloten worden met het vermelden van het tot stand komen van een vorm van wetenschappelijk onderwijs in Friesland. Aan pogingen om hiertoe te komen heeft het niet ontbroken. Een breed samengestelde provinciale commissie rapporteerde omtrent dit vraagstuk en kwam, uitvoerig geargumenteerd, tot de conclusie (rapporten van 1959 en 1960 en een nota van 1961), dat hoger onderwijs voor Friesland noodzakelijk en mogelijk is. De gemeente Leeuwarden en de Provincie verklaarden zich in 1960 tot belangrijke financiële steun bereid en ook het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties lieten zich niet onbetuigd. Tot nu toe is men er echter niet in geslaagd de voor de verwezenlijking van de plannen onontbeerlijke steun van de rijksoverheid te verwerven. Het denkbeeld zelf is echter bepaald niet prijsgegeven. Wellicht zullen de komende jaren voor Leeuwarden en Friesland voor de verwezenlijking betere perspectieven bieden!
Huisvesting onderwijs
Een vraagstuk, dat in de afgelopen twintig jaren in bijzondere mate de aandacht heeft gevraagd, is de huisvesting van het onderwijs. De gebouwen, waarover de onderwijsinrichtingen in 1945 konden beschikken, waren voor het merendeel van een respectabele leeftijd, maar ook voorzover zij dat niet waren, was het onderhoud in de oorlogsjaren vaak volkomen verwaarloosd of waren zij door de bezetter in een ruïneuze staat achtergelaten.
Nieuwbouw van scholen vond in de eerste jaren na de bevrijding nauwelijks plaats en ook daarna aanvankelijk nog slechts mondjesmaat. Dit gepaard met een sterke stijging van het leerlingental in verschillende sectoren en een, vooral na 1950, indrukwekkende vermeerdering van de onderwijsvormen, leverde een situatie voor het onderwijs op, die vergelijkbaar is met de woningnood, waarmee Nederland tot vandaag de dag heeft te kampen.
Het spreekt vanzelf, dat het gemeentebestuur onder deze omstandigheden steeds met kracht heeft gestreefd naar het tot stand brengen van zoveel mogelijk (maar ook: naar zo goed mogelijke) schoolgebouwen. Ook de schoolbesturen hebben in dit opzicht hun verantwoordelijkheid verstaan. Een sterke rem bij de scholenbouw vormden en vormen nog steeds het beperkte bouwvolume en de te geringe financiële mogelijkheden, terwijl daarnaast ook proceduremoeilijkheden soms vertragen werken.
De scholennood is dan ook na twintig jaar nog steeds niet opgeheven en het gevolg daarvan is, dat in 1965 nog altijd scholen zijn ondergebracht in gebouwen, die eigenlijk niet meer voor dit doel geschikt zijn en dat in de nieuwe stadsuitbreidingen de scholenbouw nog altijd geen gelijke tred kan houden met de woningbouw en dus met de toeloop van leerlingen. Niettemin is er, dank zij het onvermoeid werken van gemeentebestuur en schoolbesturen, waarbij vaak een grote inventiviteit aan de dag moest worden gelegd om allerlei problemen op te lossen, toch opmerkelijk veel tot stand gebracht. Dit was mede mogelijk, doordat de hiervoor onontbeerlijke samenwerking tussen het gemeentebestuur en de schoolbesturen in het algemeen weinig te wensen overliet. Voor wat het lager- en kleuteronderwijs betreft, is deze samenwerking in de laatste jaren zelfs zo nauw geworden, dat de plannen voor de nieuwe stadswijken in volledig overleg tussen de gemeentelijke instanties en de besturen worden opgesteld en de administratieve en technische voorbereiding en uitvoering van de bouw van alle openbare- en bijzondere scholen door de gemeente worden verzorgd. Bij deze planning wordt een dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten van door het Nederlands Economisch Instituut in opdracht van het gemeentebestuur ingestelde onderzoeken omtrent de behoefte aan lagere- en kleuterscholen in de te realiseren uitbreidingsplannen.
Om een indruk te geven van wat op het terrein van de scholenbouw sinds 1945 tot stand werd gebracht, volgt hier een globale vermelding van de scholen c.q. aantallen lokalen, die ten behoeve van de verschillende soorten van onderwijs werden gebouwd en van de andere bouwactiviteiten, die ten behoeve van de scholenhuisvesting werden bedreven.
- Kleuteronderwijs: Voor het openbaar onderwijs kwamen 34, voor het bijzonder onderwijs 30 nieuwe lokalen tot stand.
- Gewoon lager onderwijs: Het openbaar onderwijs kreeg 58 nieuwe lokalen, het bijzonder onderwijs 61, terwijl bovendien verschillende scholen grondig werden gerestaureerd. Daarnaast werden op ruime schaal in de bestaande scholen allerlei moderniseringen ingevoerd, zoals het vervangen van verouderde banken door leerlingensets, het aanbrengen, waar nodig, van naadloze vloerbedekking, het verbeteren van de kunstverlichting en het installeren van volautomatische centrale verwarmingsinstallaties.
- Voortgezet gewoon lager onderwijs: Voor de Protestants-Christelijke school kwam een nieuw gebouw tot stand.
- Uitgebreid lager onderwijs: Er werd één openbare school voor uitgebreid lager onderwijs gebouwd, terwijl voor het bijzonder uitgebreid lager onderwijs twee volledige nieuwe scholen alsmede een achttal houten lokalen tot stand kwamen. Plannen voor nog drie scholen voor uitgebreid lager onderwijs (één openbare en twee bijzondere) waren in 1965 in het laatste stadium van voorbereiding.
- Buitengewoon lager onderwijs: In de openbare sector kwamen tot stand een school voor imbecielen en een school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, terwijl het bijzonder onderwijs verrijkt werd met een nieuwe Protestants-Christelijke debielenschool, een houten Rooms-Katholieke school voor zwakzinnige kinderen en de reeds eerder vermelde school voor ziekelijke kinderen, de Buitenschool. De verbouw van de opgeheven Arendstuinschool (gewoon lager onderwijs) tot openbare debielenschool stond eind 1965 voor de deur, terwijl ook aan plannen voor een nieuwe Protestants-Christelijke imbecielenschool hard werd gewerkt.
- Voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs: Volledige nieuwbouw deed zich hier niet voor. Wel werd echter de Rijks h.b.s. met een verdieping uitgebreid, terwijl ook de Christelijke h.b.s. een uitbreiding onderging en daarenboven voor een belangrijk deel werd vernieuwd. Zoals eerder in deze beschouwing al werd vermeld, werd echter in de laatste jaren van het beschreven tijdvak een eerste begin gemaakt met omvangrijke nieuwbouwplannen voor het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs.
- Kweekschoolonderwijs: De Hervormde kweekschool kreeg een nieuw gebouw, dat naderhand al weer een belangrijke uitbreiding onderging. Een nieuw gebouw voor de Rijkskweekschool was eind 1965 bijna voltooid, terwijl met de bouw van een gemeentelijke Opleidingsschool voor kleuterleidsters, op dat tijdstip een begin was gemaakt na een voorbereidingsprocedure, die meer dan zeven jaren in beslag had genomen. Ook de plannen voor een nieuwe Christelijke Opleidingsschool waren op dat moment bijna in het stadium van uitvoering aangeland.
- Nijverheidsonderwijs: Tot stand kwamen nieuwe gebouwen voor de uitgebreid technische school (voorlopig), de Christelijke huishoudschool, de Rooms-Katholieke huishoudschool, de tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool en de Christelijke lagere technische school. De nieuwe neutrale lagere technische school was eind 1965 grotendeels voltooid, terwijl het plan voor een nieuwe bakkersvakschool op dat tijdstip het eerste stadium van uitvoering had bereikt. De Christelijke school voor gezinsverzorgsters betrok het geheel gerestaureerde gebouw van de vroegere Bornia-kliniek, terwijl tenslotte de Huisvesting van Het Baken vernieuwd en belangrijk uitgebreid werd.
Andere voorzieningen
Met een behandeling van de omvang en geschakeerdheid van de onderwijsvoorzieningen en de huisvestingproblematiek alleen is “het” onderwijs in Leeuwarden nog niet voldoende geschetst. Om het beeld enigermate compleet te maken, zullen hier nog een aantal onderwerpen kort dienen te worden besproken, die, al vertonen zij misschien weinig samenhang, alle dit gemeen hebben, dat zij voor Leeuwarden en het onderwijs van betekenis zijn. Volledigheid zal daarbij, binnen het bestek dezer verhandeling, niet mogen worden verwacht, terwijl ook de volgorde van belangrijkheid vrij willekeurig zal zijn.
- Schoolverzorging: Onder deze term vat men wel samen alle activiteiten, die door deskundigen, niet behorend tot het gewone onderwijzend personeel, worden bedreven, met het doel het onderwijs beter tot zijn recht te laten komen en de belangen van de leerlingen te dienen. Tot deze deskundigen kan in de eerste plaats worden gerekend de schoolarts, bij het onderwijs in Leeuwarden al sinds lang ingeburgerd. Naast deze zijn in de afgelopen jaren ook enkele meer gespecialiseerde artsen bij de schoolverzorging betrokken, zoals de psychiatrisch geschoolde arts (bij het l.o.m.-onderwijs) en de kinderarts (Buitenschool). Voorts is omstreeks 1961 ten tonele verschenen de schoolpsycholoog, aanvankelijk vrijwel alleen ten dienste van de l.o.m.-scholen, maar bij het gemeentelijk onderwijs tevens met de bedoeling, zodra mogelijk, ook andere schooltypen hiervan te laten profiteren. Door de indiensttreding in 1965 van een eigen schoolpsycholoog bij de gemeente Leeuwarden is een stap in de richting van dit doel gezet. Aan de l.o.m.-scholen en de Buitenschool heeft ook het schoolmaatschappelijk werk zijn intrede gedaan. Tenslotte heeft de gemeente Leeuwarden in 1965 toestemming gekregen tot aanstelling van een “remedial teacher”, met welke onvertaalbare term een pedagogisch-didactisch specialist wordt aangeduid, die speciaal tot taak heeft leerlingen van het gewoon lager onderwijs, die met bepaalde leermoeilijkheden hebben te kampen, te helpen deze te overwinnen. Met het verschijnen van de hier genoemde deskundigen in het onderwijsleven is een ontwikkeling begonnen, die haar einde voorlopig nog niet heeft gevonden. Wellicht zullen op den duur de nu nog enigszins verspreide bemoeiingen van deze specialisten binnen het raam van een nieuwe organisatievorm moeten worden gecoördineerd.
- Inspectie: Naast de verschillende rijksinspecties kende Leeuwarden tot 1958 geen eigen gemeentelijke inspectie. In dat jaar werd evenwel ingesteld de functie van gemeentelijke inspecteur van de lichamelijke opvoeding. Een algemene onderwijsinspectie werd tot dusverre niet ingesteld, maar wel hebben burgemeester en wethouders bij de aanbieding van de gemeentebegroting voor 1966 te kennen gegeven, dat de wenselijkheid van een zodanige inspectie bij hen in overweging is.
- Godsdienstonderwijs: In navolging van verschillende andere gemeenten besloot ook het gemeentebestuur van Leeuwarden om met ingang van 1 januari 1963 het godsdienstonderwijs op de openbare scholen te gaan subsidiëren.
- Vervoer van leerlingen: Sedert 1 februari 1960 wordt het vervoer van leerlingen van het buitengewoon lager onderwijs van gemeentewege per stadsbus verzorgd. Ook het vervoer van de leerlingen van de dorpsscholen voor het volgen van het zwemonderwijs geschiedt voor rekening van de gemeente.
- Schoolmuseum: Vermelding verdient nog het in 1926 in de toenmalige inspectie Franeker opgerichte schoolmuseum. Vanaf 1945 is dit museum gehuisvest in enkele lokalen van de St. Anthonyschool.
- Studiefonds: In 1949 besloot de gemeenteraad van Leeuwarden tot het in het leven roepen van een gemeentelijk studiefonds, waarin jaarlijks een bedrag van ƒ 10.000,- zou worden gestort. Dit fonds bleek in een behoefte te voorzien en vervult ook nu nog, ondanks de aanmerkelijke verruiming sinds 1949 van de mogelijkheden tot het verkrijgen van een beurs of voorschot uit ’s rijks kas, een nuttige functie. De volgende cijfers mogen dit illustreren. In 1949 werd aan vier aanvragers in totaal ƒ 1600,- uitgekeerd; in 1955 was het aantal begiftigden gestegen tot 14, die in totaal ƒ 8100,- ontvingen; 1960 gaf een totaal aan uitkeringen te zien van ƒ 10.400,- aan 28 personen, terwijl tenslotte in 1965 aan niet minder dan 71 begunstigden in totaal ƒ 23.235,- werd uitgekeerd.
- Jeugdzaken: Hoewel niet het onderwijs in enge zin betreffend, moge hier, vanwege het nauwe verband met de belangen van de jeugd in de schoolgaande leeftijd, met een enkel woord melding worden gemaakt van het feit, dat het gemeentebestuur van Leeuwarden in 1965 overging tot het benoemen van een ambtenaar, die speciaal belast zal zijn met de behartiging van de gemeentelijke bemoeiingen met jeugdzaken. Deze benoeming geschiedde mede op aandrang van de Leeuwarder Jeugd Gemeenschap, sectie van de in 1947 in het leven geroepen Leeuwarder Gemeenschap. De ambtenaar voor jeugdzaken heeft dan ook mede tot taak het vervullen van het secretariaat van de Leeuwarder Jeugd Gemeenschap. Door het creëren van genoemde functie heeft de gemeente Leeuwarden dus uitdrukkelijk ook de niet tot het onderwijs in de strikte zin te rekenen belangen van de jeugd tot een direct voorwerp van gemeentelijke zorg gemaakt.
In het voorgaande is getracht een zo objectief mogelijke globale weergave te bieden van het wedervaren en de ontwikkelingsdrang van het onderwijs en hetgeen daarmee samenhangt in Leeuwarden gedurende de periode 1945 tot en met 1965. Wanneer deze beschouwing dan moge worden besloten met een wellicht enigszins subjectief geformuleerde conclusie, zou deze kunnen luiden, dat in het tijdvak na de bevrijding het onderwijs in Leeuwarden een belangrijke verbreding en verdieping te zien heeft gegeven en daardoor, al blijven er ook nog onvervulde wensen, de jeugd de kansen biedt, die zij in een zich snel ontwikkelende maatschappij nodig heeft.

Terug
