Veemarkt - Slachthuis

Van het gemeentelijk bedrijf Slachthuis en Veemarkt hangt vooral de veemarkt nauw samen met het agrarisch bedrijfsleven in Friesland. Het agrarische karkater van de provincie is in de afgelopen 20 jaar aanzienlijk veranderd. Het aantal arbeidsplaatsen in de landbouw werd in deze periode ongeveer gehalveerd. Desondanks bleef de agrarische productie zich uitbreiden en ook thans nog telt Friesland een groter aantal runderen dan inwoners.

De veemarkt is voor de veehouderij van zeer groot belang. Uit bedrijfseconomische gegevens is bekend, dat ongeveer een vierde deel van het veehouderinkomen bestaat uit de opbrengst van de verkoop van vee. Veruit het grootste deel van het overtollige vee wordt afgezet via de markt. Dit mag blijken uit het feit, dat op een aantal van bijna 400.000 stuks rundvee boven de leeftijd van één jaar in Friesland er jaarlijks omstreeks 95.000 stuks grootvee op de Leeuwarder markt worden aangevoerd.

De Leeuwarder markt is vooral een rundermarkt; in de rij der Nederlandse markten bezet zij, gerekend naar de gemiddelde dagaanvoer, de derde plaats. Naast het grootvee worden er veel graskalveren en nuchtere kalveren aangevoerd. De handel in nuchtere kalveren heeft de laatste tien jaar grote wijzigingen ondergaan. Door de ontwikkeling van kunstmelk is - begunstigd door goede afzetmogelijkheden bij export - het mesten van kalveren een lonend bedrijf geworden. De op de markt aangevoerde kalveren, die vroeger veelal voor directe slachting werden verkocht, worden thans voor een belangrijk deel bestemd voor de mesterij. Deze goede afzetmogelijkheden hebben de prijsstelling gunstig beïnvloed, hetgeen op zijn beurt weer het markten van nuchtere kalveren heeft bevorderd.

Gerekend naar de aanvoer volgen na de runderen de schapen als belangrijkste diersoort. De Nederlandse schapenstapel bevindt zich voor omstreeks 80 % in de kleiweidestreken van Groningen, Friesland en Holland. In het noorden heeft Sneek de belangrijkste schapenmarkt; de markten van Groningen en Leeuwarden ontlopen elkaar in aanvoer niet veel. Gerekend naar hun waarde, zijn voor de Leeuwarder markt, na de runderen, de paarden als de belangrijkste diersoort te beschouwen. Het aantal landbouwpaarden is de afgelopen twintig jaar steeds teruggelopen. Thans is het aantal paarden minder dan de helft van dat in 1950. Aanvankelijk hebben de aanvoeren van paarden op de markt deze tendens gevolgd. Omstreeks 1960 valt er een kentering waar te nemen en sinds 1962 stijgen de aantallen vors. De paardenhandel concentreert zich de laatste jaren voornamelijk op Leeuwarden en Utrecht, welke stad een afzonderlijke marktdag voor paarden heeft. In het bijzonder de gunstige afzet- en afvoermogelijkheden van slachtpaarden voor export naar Frankrijk en België werken deze ontwikkeling in de hand.

Een geheel andere ontwikkeling onderging de varkensmarkt. Tot aan het midden der vijftiger jaren was er sprake van een florissante markt. Daarna is het snel bergafwaarts gegaan; thans heeft deze marktafdeling volledig haar betekenis verloren. Hierbij hebben verschillende factoren een rol gespeeld. In de eerste plaats is de varkensstapel in het aanvoergebied sterk teruggelopen, terwijl voorts vrijdag een ongeschikte slachtdag is voor varkens. Tenslotte hebben ook verschillende marktsluitingen wegens heersend mond- en klauwzeer een ongunstige invloed gehad. Ook landelijk gezien is de markthandel in varkens in verhouding tot de totale varkensomzet zeer gering. Op een totale aanvoer van varkens op de slachthuizen, die in 1964 de 5½ miljoen ruimschoots overschreed, werden er in dat zelfde jaar op de Nederlandse markten nog geen 200.000 varkens aangevoerd. De handel in biggen en lopers voltrekt zich eveneens voor 90 % buiten de markt om.

De jaaraanvoeren op de veemarkt bewogen zich na de bevrijding reeds spoedig in stijgende lijn. De veestapel herstelde zich met het beschikbaar komen van voldoende kunstmest en veevoeder snel. Weldra werd het duidelijk, dat de omgeving van de veemarkt, omsloten door Lange Marktstraat, Sophialaan, Zuidersingel en Snekerkade, niet geschikt was om naast de aan- en afvoerende vrachtwagens ook nog het steeds groeiende verkeer met personenauto’s van marktbezoekers op te vangen. Een in 1947 door het gemeentebestuur ingestelde commissie kwam tot het inzicht, dat alleen een verplaatsing van de veemarkt een definitieve oplossing kon zijn voor het steeds nijpender wordende verkeersprobleem rondom de markt.

Op 1 juli 1953 nam de gemeenteraad het besluit om de veemarkt te verplaatsen naar een terrein aan de Heliconweg, een onderdeel van de destijds nog toekomstige ringweg. Een breed opgezette commissie toog aan het werk om een inzicht te vormen van de vele facetten, die aan de inrichting van een markt zijn verbonden. Aanvankelijk werd uitsluitend gewerkt aan een ontwerp voor een open markt. Met het grondwerk hiervoor kon een aanvang gemaakt worden in juli 1956.

Tijdens de uitvoering won meer en meer het idee van een volledig overdekte marktveld. In oktober 1959 nam de gemeenteraad het besluit een grote hal, die de hele markt zou overkappen, te bouwen. De eerste paal voor de hal werd geheid op 13 februari 1961; reeds na 2½ jaar was het werk voltooid.

Met de uitvoering van dit werk is de gemeente in het bezit gekomen van een veemarkt, die haar weerga noch in Nederland noch in Europa heeft. De Frieslandhal, zoals de markthal is genoemd, betekent voor de agrarische bedrijven in het noorden een verbetering van de handelskanalen voor vee, het na de melk belangrijkste product. Met deze nieuwe accommodatie kunnen de toekomstverwachtingen optimistisch zijn. Ook in de toekomst zal de markt door het vrije spel van vraag en aanbod bepalend zijn voor de prijsvorming in de veehandel.

Aan het marktverkeer behoeven niet noodzakelijk deel te nemen dieren van zeer hoge kwaliteit of diersoorten, die wegens hun uniformiteit ongezien gekocht kunnen worden. Als voorbeeld voor dit laatste kan de hiervoor genoemde handelssituatie ten aanzien van de slachtvarkens gelden. Ook de ontwikkeling van de handel in slachtlammeren tendeert in deze richting. Voor het rundvee, de paarden en voor een deel van het wolvee zal de veemarkt de grootste rol bij de afzet blijven vervullen.

Nog in de toekomst verborgen is het uiteindelijke resultaat van het instellen van E.E.G.-markten voor fok- en gebruiksrunderen, waarvan in de herfst van 1965 bij wijze van proef drie werden gehouden. Ondanks de harmonisatie der veterinaire voorschriften blijken er in de praktijk nog vele belemmerende bepalingen te zijn, die afbreuk doen aan het vrije handelsverkeer binnen de E.E.G. Deze omstandigheid is er aanleiding toe geweest, dat de voorgenomen E.E.G.-markten voor slachtvee nog niet verwezenlijkt konden worden.

Exportbelemmerende bepalingen wegens het begin 1966 in ons land heersende mond- en klauwzeer bij varkens zullen helaas voorlopig het houden van de E.E.G.-markten in de weg staan.

De Frisiana

Ter gelegenheid van de opening van de Frieslandhal werd van 16 tot 21 september 1963 in de hal een tentoonstelling gehouden, die van zijn organisator, de heer Jac. Kleiboer, de naam Frisiana kreeg. De Frisiana wilde een tijdsbeeld geven van Friesland. Het reeds bekende, vertrouwde terrein van de landbouw kreeg er volop gelegenheid zich te laten zien. Ook werd een belangrijke plaats ingeruimd voor het nieuwe gezicht van de provincie met de zich snel ontwikkelende industrie en haar toekomstmogelijkheden. Naast deze beide belangrijke facetten van het economische leven werd op de tentoonstelling ruim aandacht geschonken aan de Friese cultuur, de recreatie, het toerisme, het onderwijs.

De tentoonstelling, die officieel werd geopend door de minister van economische zaken, mocht zich verheugen in een bezoek van H.M. de Koningin en talrijke autoriteiten. Ook bij de bevolking is de tentoonstelling bijzonder ingeslagen. Na afloop van de 6 dagen~80 uren durende Frisiana bleken er 210.471 betalende bezoekers te zijn geweest. Dit alle verwachtingen overtreffende succes heeft aan de Frieslandhal een grote vermaardheid gegeven. Door de Frisiana is gebleken, dat de Frieslandhal ook voor andere doeleinden dan de veemarkt kan worden benut.

De hal draagt in belangrijke mate bij tot het welslagen van de keuringen van het Friesch Rundvee-Stamboek. Dit is voor het Stamboek reeds aanleiding geweest het aantal keuringsdagen te verdubbelen. Ook bij manifestaties op geheel ander terrein heeft de Frieslandhal haar geschiktheid duidelijk bewezen. Het bevrijdingsspel op 5 mei 1965 en het optreden van de “Wiener Eisrevue” mogen als voorbeelden gelden. Ongetwijfeld zal dit nevengebruik van de hal zich in de toekomst regelmatig uitbreiden. De betekenis van de Frieslandhal voor Leeuwarden en wijde omgeving wordt daardoor sterk vergroot.


Slachthuis

Het andere deel van het gemeentelijke bedrijf Slachthuis en Veemarkt, n.l. het openbaar slachthuis, valt over het algemeen minder onder de publieke aandacht. De ontwikkeling van dit bedrijf, die de laatste jaren zeer opmerkelijk is, mag in deze beschrijving echter niet onvermeld blijven.

Gemeentelijke slachthuizen zijn aan het einde van de vorige of het begin van deze eeuw opgericht op grond van Hinderwetsbepalingen. De stadsslagers kregen gelegenheid om de slachtingen te verrichten in goed geoutilleerde en hygiënisch verantwoorde gebouwen. Reeds spoedig na deze concentratie van slachtingen trad er een specialisatie op; er ontstonden grossiersbedrijven, die hun dieren slachten met behulp van eigen personeel of daarbij gebruik maken van de diensten van loonslagers, die in groepen tegen stuktarief werken. Reeds voor de oorlog was een situatie ontstaan waarbij het merendeel der slachtingen in handen was van grossiers. Deze ontwikkeling vond na de oorlog haar voortzetting. Er ontstond een vleesmarkt, waar de slagers uit de stad en omgeving het vlees komen kopen.

Tot aan de opheffing van de vleesdistributie in november 1949 waren de activiteiten op het slachthuis van zeer bescheiden omvang. Na het vervallen der beperkende bepalingen nam sinds 1950 het aantal slachtingen in de rundvleessector geleidelijk te. Deze stijging was niet alleen een gevolg van een grotere rundvleesconsumptie ter plaatse, ook de afzet van vlees naar het omringende plattelandsgebied nam toe. Is de stad wat de rundvleesproductie betreft meer dan zelfverzorgend, bij de varkensvleesproductie is dit niet het geval. Het aantal slachtingen van varkens blijft zich na 1950 steeds ongeveer op hetzelfde niveau bewegen. Er wordt in toenemende mate uitgesneden vlees uit andere gemeenten naar Leeuwarden gebracht. Helaas moet worden geconstateerd, dat het bedrijfsleven in deze jaren onvoldoende de kansen om tot een uitbreiding der varkensslachterij te komen heeft benut. De capaciteit van het slachthuis bleek in sommige opzichten te klein voor het toenemende aantal runderslachtingen. Bovendien was de inrichting van het bedrijf na een dertigjarig bestaan niet meer up-to-date.

In de jaren 1954 en 1955 werd door de toenmalige directeur, de heer J. Vierzen, in overleg met de dienst voor openbare werken een plan tot uitbreiding en modernisering ontworpen. De uitvoering van dit plan is eerst vertraagd door de bestedingsbeperking van 1957. Wegens de toen op handen zijnde directiewisseling werd van dit plan alleen de modernisering van de kantine met was- en kleedlokaal uitgevoerd.

Na 1960 werden de mogelijkheden van het bedrijf opnieuw onder ogen gezien. Tijdens de ontwikkeling van een moderniseringsplan bleken er goede kansen op uitbreiding van het aantal slachtingen te bestaan door vestiging van Brada’s Vleesbedrijf te Oostermeer op het slachthuis. Toen naderhand ook de Coöperatieve Friese Veeafzetvereniging F.C.E. het voornemen bleek te hebben om tengevolge van de opheffing van het slachtbedrijf van de Vleescentrale te Akkrum haar grossiersbedrijf op het slachthuis te vestigen, was het verantwoord het plan op een grotere capaciteit in te stellen dan oorspronkelijk mogelijk was geweest.

In december 1964 werd in de gemeenteraad het uitbreidings- en moderniseringsplan aangenomen en werd voor de uitvoering een krediet beschikbaar gesteld van 3,5 miljoen gulden. Het plan voorziet in de bouw van een nieuwe runderhal, drie uitsnijdruimten en een vriescel, in het inrichten in het bestaande gebouw van slachthallen voor varkens en kalveren, een noodslachtplaats en een koelhuis. In het kantinegebouw zal de was- en kleedgelegenheid worden uitgebreid, terwijl ook de terreinindeling zal worden aangepast. Met Brada’s Vleesbedrijf en de F.C.E. zijn contracten afgesloten, waarin aan deze bedrijven enerzijds verschillende faciliteiten worden toegekend en anderzijds langlopende verplichtingen worden opgelegd om een financiële basis te verkrijgen voor de toekomstige investeringen.

Inmiddels is in december 1965 de rijksgoedkeuring voor de bouw afgekomen en is met de voorbereidende terreinwerkzaamheden begonnen.

Onafhankelijk van dit grote moderniseringsplan zijn reeds enkele verbeteringen aangebracht, n.l. in 1961 de modernisering van de kantoren en het laboratorium, in 1963 de installatie van een nieuwe stoomketel en een nieuwe huisvesting voor het keuringspersoneel en in 1965 verdubbeling van de koelcapaciteit door uitbreiding van de bestaande installatie. Door de vergroting van de koelcapaciteit en van de beschikbare hoeveelheid warm water en met verschillende provisorische voorzieningen in het hoofdgebouw is het gelukt de vestiging der verzendgrossiersbedrijven van Brada en de F.C.E. op te vangen.

Het aantal slachtingen is sinds medio 1964 niet meer met de voorgaande jaren te vergelijken. In 1965 werd voor het eerst het aantal van 40.000 slachtingen overschreden. Dit gebeurde op vrijdag 17 december. Wanneer tijdens en na de bouw meer werkruimte is ontstaan, zal de bedrijvigheid ongetwijfeld nog toenemen.

De lokale betekenis van het slachthuis is geworden tot een landelijke. Tot de afzetgebieden zijn gaan behoren de provincies Drente, Overijssel, Limburg en Noord-Holland. Ook tot buiten de landsgrenzen strekken de activiteiten zich uit; in 1965 werden o.a. ruim 14.000 vette kalveren naar Italië verzonden.

Indien ten volle wordt geprofiteerd van de mogelijkheden die door het ons omringende productiegebied worden geboden, en van de aanwezigheid van de veemarkt, zal er voor het nieuwe slachthuis een goede toekomst zijn weggelegd.



























































































Terug