Oudere straatnamen in de binnenstad

Over de kruin van een der beide terpen, waarop Leeuwarden (Nijehove) ontstaan is, het hoogste punt van dit stadsdeel, loopt de naamgever van het Streetstra espel: de Grote Hoogstraat (1458 in der Haegher stretha, 1595 Groote Hoogstraet). In 1512 werd verkocht een steed in dae haeghestreta, streckende farra oen dae haghe streta ende after uut oen dye oura streta. De Poststraat (1466 by da post in der Hagerstreta, 1576 Poststrate) zou haar naam n.m.m. eerder danken aan een post = stijl, paal (b.v. om het inrijden met wagens te beletten), dan aan een post = plank, voetbrug (die op deze hoogte niet goed te verklaren is). Tussen de percelen, genummerd 25 en 31, ligt de Gloppe (1820 de Gloppe in de Poststraat), een Friese aanduiding voor slop, blinde steeg, welke we nog op meer plaatsen zullen ontmoeten. We zijn hier in het voormalige Minnema-espel, genoemd naar de familie die de Minnema-stins (laatstelijk bekend als hotel De Nieuwe Doelen, in 1960 afgebroken) bewoonde. De Minnemastraat (1458 in der Mennamastretha, 1512 dye oura streta?, 1611 Minnema Hoffstrate) is ontstaan langs de rand van het terrein van de stins. De oostelijke straatwand (en ook die langs de Eewal, z.o.-zijde) dateert eerst van na 1611, toen dit gebied is verkaveld in twaalf erven, die ter bebouwing werden verkocht. Tussen Minnemastraat en Grote Hoogstraat liep de Sierksmasteeg (1599 Syercxmasteeg), aldus naar Tiepcke Siercxma c.s., die huizen in beide straten bezaten; mogelijk is deze steeg identiek met de latere Oudewijfssteeg (1617 Oldewijffssteige). Aan de overzijde van de Grote Hoogstraat zette de steeg zich voort als Foxsteeg (1543 Foechstrate, 1678 Foxsteegh), welke eind 17e eeuw verdween door afbraak van de aanliggende huizen; vernoeming naar Lodewijk Fox, zoals Eekhoff suggereerde, ligt niet erg voor de hand, daar deze notaris in 1602 overleed. Daarmede zijn wij beland in de Sint Jacobsstraat, waarover straks. Aan de overkant lag en ligt het Raadhuisstraatje (1646 Cleyne Sint Jacobstraet ofte Raedhuysstraet, 1946 Auckamastraatje), lopend langs de in 1618 als stadhuis ingerichte Auckama-stins.

Plattegrond van Leeuwarden, ca. 1664



Tussen St. Jacobsstraat 28 en 32 lag weer een, inmiddels verdwenen, Gloppe (1877 aldus). Een, in 1844 met een deur afgesloten en nu ook niet meer te vinden steeg tussen de nos. 20 en 22 staat op de kaart van Knoop (1760) aangegeven als Spooksteegje, een ook elders in de stad aangetroffen naam. In het vierkant, begrensd door Klokstraat, Gr. Hoogstraat, Naauw en St. Jacobsstraat, lag het 1478 gestichte Sint Jacobs gasthuis, dat 1581 weer werd opgeheven. De straat (1539 Sint Jacobsstraet) zal hiernaar genoemd zijn. De Klokstraat (1485 dae steegh by Sinte Jacobs capelle, 1551 Clockstraete, 1552 Sinte Jacobsstege, 1562 Clocksteeghe), aanvankelijk een verbinding tussen Gr. Hoogstraat en Weerd, was genaamd naar een steed opten hoeck fan dae Waerd, Ter Klocka (1491) en niet naar de klokken van de in 1540 bij de gasthuiskapel gebouwde Nieuwe of St. Jacobstoren (1884 wegens bouwvalligheid afgebroken). Het thans Maria Annastraatje genoemde deel van de Klokstraat is onder vele namen bekend geweest (1597 Jacob roeperssteegh, 1620 Clockstraat ofte Jacob roeperssteige, 1627 Westerclock- ofte Jacob roepersstrate, 1664 Kleyne Klockstraet, 1690 Maarjanstraatie, 1696 Marij Jansstraetie, 1713 Kleyne Jacobstraet off Marij Jansstratie, 1760 Moriaanstraatje, 1839 idem, 1843 Maria Annastraatje, ook wel Kleine Klokstraat, Marianne- en Moriaanstraatje!). Een Jacob roeper, die de burgerij al meer dan dertig jaar had gediend, zag zich 1578 bevestigd in zijn instructie, dat alleen hij die tromme souden moegen slaen om daermede eets uyt te roepen of te publiceren. Een uit het pand no.9 afkomstige gevelsteen (1973 ingemetseld in Eewal 58), vertonende een wat gebruinde d. Ionge S. Iacob, kan wel de naamgevende moriaan zijn geweest. In 1679 is er sprake van een huysinge staende in de Sint Jacobsstraet op de hoeck van de Marij Jansstraat, alwaer voor desen een turx hoofft en nu een keers uythangt. Een 60-jarige Marijke Jans, weduwe van de stalman Jan Mathijssen, woonde in 1715 (en mogelijk reeds veel eerder) op de hoek van de Kleyne St. Jacobstraet.

Het Herenwaltje (1627 Raathuysburchwal, 1649 Eerden- ofte Raedhuisburchwaltje, 1664 Aerden waltje, 1692 Heerenwaltie, 1755 Eerdenwaltje, 1839 Aardenwaltje, 1843 Heerenwaltje ook wel Aardenwaltje) kon eerst na 1618 ontstaan, toen de magistraat het oude stadhuis, de Walta-stins (hoek Herenwaltje o.z.-Nieuwestad) verkocht met de bepaling, dat de gevel langs het water meer oostelijk moest worden gezet; er zal toen een onbestraat voetpad langs het grachtje (1884 gedempt) zijn ontstaan. Ten westen van het Herenwaltje loopt de Weerd (1442 up die Waerd, 1590 de Weerdstraet), waarvan de naam nog herinnert aan de tijd, dat Leeuwarden aan de Middelzee lag. Weert, wert, waert zijn aanduidingen voor een door water be- of omspoeld stuk land (bij een opgraving achter de westelijke huizenrij is in 1962 een naar het westen aflopende wadzandbodem met zeeschelpen aangetroffen). Ook hier, tussen de nos. 4 en 14, is er weer een Gloppe (1746 aldus, 1878 Gloppe of Moutemakerssteeg). Aan deze gloppe lag ook de toegang tot een groot pand aan het Herenwaltje, waarin later een bierbrouwerij (en moutmakerij?), een bierhandel en nu een studentensociëteit is gevestigd.

De Kelders met Bierkade, Brol en Naauw, ca. 1830 Een andere herinnering aan de oude waterstaatkundige situatie biedt het Naauw (1541 tusschen de waech en de Brolbrugge, 1580 tussen de Broll en de waechspyp, 1587 de straet nae de Buelsbrugge, 1615 ’t Naw, 1618 by de Waegspyp in ’t Nau), mogelijk het restant van een sluisje of van een doorgegraven dam. In de Brol (1458 langhs bij dae Broel, 1538 Brollbregge, 1562 by de Beulsbrugge, 1664 de Brol) kan men het Friese woord broel, brol herkennen; het is een aanduiding van rommel, wanorde, ook wel van een laaggelegen stuk grond, een aan de rand van de (terp)bebouwing niet onaannemelijke situatie; in de 16e eeuw vonden daar executies plaats (1516 Wybe Saeckeles mitten swaerde opter Broelbrugghen op een schavot ghericht). De Kelders (1504 oppa Keller) zijn eveneens van hoge ouderdom. Kennelijk waren de eigenaars-bewoners der daar staande huizen ook in vroeger eeuwen al bezorgd voor instorting van hun onder de straat doorlopende kelders door het geros en gerij er overheen: in 1677 en 1785 werd hun toegestaan, palen aan de einden van de straat te laten slaan ter belemmering van het verkeer. Vrachtvervoer wordt er daarom ook nu niet toegelaten. Het in de stad per schip aangevoerde bier werd opgeslagen op de lage kade voor die kelders, de Bierhaven (1566, 1573 aen de Bierhaven by de Brolbrugge, 1583 bij den Broll nevens den Bierhaeven, 1974 Bierkade); op de Brol stond van 1559 tot 1684 het bierdragerswachthuis.

In het verlengde van de Kelders lag de Korenmarkt (1565 tusschen de Visch- en Sint Franciscusbruggen, 1574 tusschen de Vischmerct en Sint Franciscuspyp, 1652 de Corenmerkt), waar sedert 1535 de door de stadsregering n.a.v. een keizerlijk plakkaat ingestelde vrije korenmarkt werd gehouden (later uitgebreid: van Franciscus- of Korfmakerspijp tot Meelbrug).

Ook op de aangrenzende brug of pijp werd handel gedreven: daar stonden de zeevis- en meervisbanken, waarop de kooplieden verplicht waren hun vis aan te bieden (uitgezonderd ael ende plattvysch, die ook langs de deuren mochten worden verkocht). In 1697 liet men de visbanken overdekken en in 1851 werden zij verplaatst naar de Oosterkade. De huizen rondom deze pijp ontvingen daarnaar hun naam (1546 neffens den Fischmerckt over, 1560 over die Vischmerckt, 1749 bij de Vismarkt). In 1608 besloot de Raad dat men de vischmercktpijp verlangen sal tot nae de Slotmakerssteich, d.w.z. de Wortelhaven te overkruinen (1589 de Wortelhaven, 1590 Wortelmarckt, 1611 de nieuwe Vischmarktstraet, 1716 Groenmerck, 1760 Groentemerkt of Wortelhaven); 1638 bepaalde de Raad nog, dat de vreemde gardiniers sullen op de Wortelhaven met haar waren moeten leggen.

We bereiken nu de Eewal (1504 opper Eewal). De naam zegt al, dat hierlangs het water van de (Dokkumer) Ee stroomde. Deze Ee liep aanvankelijk westelijk van de Voorstreek, maar na de stadsbrand van 1483 werd het water via de binnengracht en de toen gegraven Wortelhaven geleid. De straat kon worden verdeeld in Oude Eewal (noordzijde) (1845 aldus), Nieuwe Eewal (1617 aldus: 1611 besloot de Raad om met de eigenaars der plaatsen tussen Minnemastraet en nieuwe Vischmarktstraet, op de grond van Minnemahof, in overleg te treden over het doortrekken van de straat) en Oranje Eewal (1623 Orangie Eewall, 1651 Orangiewal, 1664 d’Oranje burgwal ofte Eewal, 1716 Orangiewal, 1845 Oranje Eewal). In 1782 is er sprake van het huys op de Orange Ewal, daar de Orange Ewal en basrelief in steen gehouwen en cierlijk verguld in de gevel staat. Ook hier liepen de kelders onder de straat door en daarom werd de eigenaars van de huizen tussen Gr. Hoogstraat en Minnemastraat in 1756 (en opnieuw in 1790) geaccordeert om tot belet der passage van rijdtuigen en daardoor te praecaveren het gevreesde gevaar van instortinge der kelders wederom een off meer palen op hunne costen te mogen setten. De gracht werd in 1884 gedempt en daaroverheen werd de huidige straat gelegd; de trottoirs aan de zuidzijde zijn zo breed omdat enkele nog bestaande kelders ongetwijfeld zouden instorten onder de last van het tegenwoordige verkeer.

Het vervolg van de Eewal heet thans Gouverneursplein (1602 het diept met de blauwe stienen trappen, 1626 bij de blauwe trappe, 1829 Seigneuriewal, 1843 aan het Plein, 1845 Gouverneursplein). De ietwat raadselachtige blauwe trappen (1626 omtrent het logiement van Sijne Genade, 1644 bij de Kleine Hoogstraet, voor S.G.), mogelijk brede hardstenen traptreden naar het water, moesten in 1643 en 1676 (bij de Seygneurie) door de stadsklokluider gereinigd worden. Nog in 1695 kwam het onderhoud van de blauwe trappen, met de ijseren leunen daerom ten laste van de stad; daarna verdwijnen ze uit de archivalia. Reeds eerder, in 1684, is de seigneurie (een groot gebouw -1675 herberg?- oostelijk van het stadhuis, aan de zuidzijde van het water) afgebroken. De hoogste gezagsdragers in deze provincie, van 1814 tot 1851 Gouverneur en daarna Commissaris des Konings genaamd, woonden van 1829 tot 1881 in het gebouw, dat daarna door de bewaarder van de hypotheken, het kadaster en de scheepsbewijzen is gebruikt en thans het creativiteitscentrum De blauwe stoep huisvest. Het plein is in 1827 ontstaan door overkluizing van het vaarwater.

Raadhuisplein, ca. 1785 (tekening naar Cornelis Pronk) Het Hof van Zijne Genade de stadhouder stond aan het Hofplein (1829 Bij het Hof, 1845 Hofplein); in 1682 besloot de Magistraat tot het maken van ’t Plein en het overdekken van de vaart tussen Hof en raadhuis. Dat Hof, sedert 1815 Koninklijk Paleis, werd 1880 in beheer en onderhoud aan het Rijk afgestaan en het volgend jaar ingrijpend verbouwd om te dienen tot woning van de Commissaris des Konings, tot 1970; twee jaar later werd het dependance van het stadhuis, 1996 ingericht als stadslogement. In 1715 is door de voogden van het oude weeshuis (het O.B.W.) toegestaan, dat vanwege de stad de vaart tussen het stadhuis en het weeshuis zou worden overdekt mits de vaart agter ’t weeshuis omloopende vaarbaar houdende. Toen ontstond dus het Raadhuisplein (1829 Bij het Hof, 1843 Bij het Stadshuis, 1845 Raadhuisplein).

Het water onder Gouverneurs-, Hof- en Raadhuisplein werd, tezamen met dat van Eewal (en Herenwaltje), in 1884 gedempt. Dit vaarwater vormde de scheiding tussen de beide terpen van Nijehove. Eekhoff bericht, dat tijdgenoten onder het hoekhuis van de Beijerstraat op eene diepte van 4 à 5 el twee rijen eiken palen vonden, welke, in de strekking van het zuiden naar het noorden, met eene tusschenruimte van ongeveer 13 ellen, tegenover elkander stonden. Daaromheen was moerassige grond, vermengd met schelpen, zeewier en zelfs veemest; er schijnt eene zeesluis te zijn geweest. Ook zonder sluis lijkt een beschoeiing hier wel noodzakelijk om het uitschuren van de vrij steile terpwanden door het water te voorkomen.

De Beijerstraat (1588 Clene Sint Jacobstrate, 1590 Beyerstraete) ontleent haar naam aan de daarop uitkomende poort van de baaierd, beierd, een passantentehuis voor behoeftige vreemdelingen, dat begin 16e eeuw aan het Sint Anthonij gasthuis werd verbonden. Wij komen via deze snel stijgende straat op de kruin van de tweede terp, het hoogste punt van de binnenstad, voorheen Cammingahorn geheten (1541 te Cammingahorne, recht tegen den Hoogstraet over). De naam zal afgeleid zijn van een der aanzienlijke bezittingen, welke de familie Cammingha in verschillende delen van de stad had. Een gevelsteen met het opschrift Cammingahorn, afkomstig uit de noord- muur van het 1882 afgebroken huis op de oosthoek van Kl. Hoogstraat en Gr. Kerkstraat, is in het Fries Museum.

Aan de andere zijde van de hoogte leidt de Pijlsteeg (1538 de Pylsteege) weer snel naar beneden. Deze zou haar naam ontlenen aan een aldaar woonachtige Jacop Peyler(th): 1443 den steed, deer Jacob Peyler nu ter tiit uppa wonien is, 1457 den steed, deer Jacop Peylerth pliga op toe wannian. Eekhoff, die deze toeschrijving deed, was niet erg gelukkig met de straatnaam en stelde in 1876 voor, deze te wijzigen in Tuinstraat, welk advies door B. & W. niet gevolgd is. De steeg leidde toen ook niet zozeer naar de (Prinsen)tuin, maar naar het Schoenmakersperk, aanvankelijk via de Jellingapoort (1504 by Jellenga porta, 1544 by Jelger poorte, 1560 by Jellingepoorte aen de wal, 1578 by Jellingerpoort in de Pylsteeg), een voormalige poort van Nijehove. Daar lag ook de Gerkesbrug (1544 over Gercsbrugge alhyer in de Pylstege); naar welke Jellinga en Gerke deze poort en brug genoemd werden, zal moeilijk na te gaan zijn. Bij een opgraving in 1978 zijn geen sporen van deze kunstwerken aangetroffen. Inmiddels wordt wel aangenomen, dat de steeg deel uitmaakte van een 13e-eeuwse doorgaande route: Wirdumerdijk, St. Jacobsstraat, Beijerstraat, Pijlsteeg, Jelsumer binnenpad.

Cammingahorn liep, gelijk wij zagen, van Beijerstraat tot Kleine Hoogstraat (1530 Cleyne Hoochstraete). Zoals de Beijerstraat wel Kleine St. Jacobsstraat werd genoemd wegens haar ligging in het verlengde van de St. Jacobsstraat, zo leidde de Kleine Hoogstraat haar naam af van de inderdaad veel langere Grote Hoogstraat. Hier bevindt zich ook de in februari 1968 aan het verkeer onttrokken Muggesteeg (1600 de gemeene steyge lopende van de Cleyne Hoochstraete na de Cleyne St. Jacobsstrate, 1666 ’t Miggesteighien lopende uit de Beyerstraet in de Cleine Hoochstraet, 1668 ’t Muggesteeghien). Men kan veronderstellen, dat hier neergeworpen huysquaed veel vliegen (Fr. miggen) aantrok.

Een in de middeleeuwen veel voorkomende bajonetsluiting verbindt deze Muggesteeg met de Speelmansstraat (1476 Spylmannastreta, 1544 Spoelmansstraet), die haar naam zal hebben ontleend aan een daar wonende muzikant. In 1526 is er n.l. sprake van ene steede nu ledich leggende ende voermaels een huys op staende daer Ghijsbert speelman in plach te woenen, leggende op die olde Eewal. Als reeds gezegd, stroomde de Ee voor 1483 westelijk van de Voorstreek en daarmee kan samenhangen, dat in Eekhoffs tijd ongeveer acht meter onder het oppervlak van de Speelmansstraat resten van een schuitje zijn gevonden. Nog in 1672 werd onder de aanliggenden omgeslagen de contributie tot hoedinghe van de costen over ’t opclaren ende reynighen van ’t canael de oude Y genaemt, gemaeckt. In het midden van de vorige eeuw was de oude bedding nog terug te vinden in een open riool achter langs de concertzaal Van der Wielen (thans Zalen Schaaf). Een verbindingsstraatje tussen Speelmansstraat en Eewal is de Zuupsteeg (1554 Suipstege), een plaats waar voorheen kennelijk karnemelk werd verkocht.

Schuin daartegenover ligt de Bontepapesteeg (1583 de straet tusschen de witte nonnen ende de pastorie van Nyehooff, 1590 Bontepaepsstraete, 1593 Bonnepapesteeg, 1829 Bonuspaterssteeg, 1839 Pompmakerstraat, 1843 Bontepapesteeg), genoemd naar (het wit met zwarte habijt van) de Dominicanen, die er de statie het Klooster - in een gedeelte van het voormalige Witte nonnen klooster - bedienden. Eekhoff stelde in 1876 tevergeefs voor, de naam waarin sommigen eene beschimping zien te wijzigen in Keimpemastraat, naar de aangrenzende Keimpemastins (Gr. Kerkstraat 238).

De Speelmansstraat mondt uit op het pleintje Bij de Put (1533 bij die put, 1534 bij de grote nieuwe put bij de nieuwe breede straet op de predykers stede, 1551 by den precaersput op den hoeck van den Heylich Sacramentsstege, 1582 de olde ossenmerckt, 1609 genoempt bij die pudt, 1760 Bij de Put). Die put is nog in 1668, 1727 en 1780 totaal vernieuwd en eerst in 1834 definitief opgeruimd.

Of de Slotmakersstraat (1546 Sloetmakerssteyge, 1589 Sloedtmakersstraet) naar één bepaalde slotemaker genoemd is, of dat een aantal vakgenoten daar bijeenwoonde, kon niet worden nagegaan; nog in 1600 woonde er een Sybe Watzesz. slotmaker. In de Sacramentsstraat (1531 Hellich Sacramentsstege, 1560 Sacramentsstrate) zou het H. Sacramentsgilde te Oldehove, een geestelijke broederschap, bezittingen gehad kunnen hebben, b.v. de in 1526 verkochte Hellich Sacramentskamers. Aan het eind van de Sacramentsstraat was er ook een Zuupmarkt (1642 Hoecxter suipmerck, 1681 Suipmerck, 1760 d’oude Supmerkt, 1843 Voorstraat, 1845 Voorstreek).

De Breedstraat (1534 de nieuwe breede straet op de predykers stede, 1577 de brede strate bij de put) zal over de terreinen van het Jacobijner klooster zijn gerooid. Het Jacobijnerkerkhof (1544 bij die preeckers kerckhoeffs muere, 1829 het Groot Kerkhof, 1845 Jacobijner kerkhof) om de rond 1500 gebouwde kloosterkerk der Predikheren of Jacobijnen, heeft tot 1824 dienst gedaan als begraafplaats. De zuidoostelijke gevelwand heette het Krommejat (1548 ’t Cromme Jat, 1845 het Krommejat of de Schoolbuurt, 1878 het vroegere Krommejat), waarschijnlijk oorspronkelijk een bochtige, nauwe gang, in 1617 bestraat; een nieuw aangelegde straat in deze omgeving ontving 1982 dezelfde naam. In 1830 werd in het hoekhuis met Bij de Put de eerste stadstussenschool (der 1e klasse) geopend (thans Kerkelijk bureau der Hervormde Gemeente). Ook hier was er een kleine Gloppe (1843).

De Monnikemuurstraat (1590 te Jacobinen by de monkemuir, 1594 by de Jacobpijner kercke by de Munckemuyrstraete, 1641 bij de Muntiemuir, 1760 Muntjemuurstraat, 1843 Munnikemuurstraat) liep klaarblijkelijk langs de muur van het meergenoemde klooster. Een, nu onbewoonde, steeg in laatstgenoemde straat is door Eekhoff voorzien van de fraaie naam Sint Frederikssteeg (1734 Schink eters steegh, 1772 Schinkevrettersteeg, 1843 Sint Frederikssteeg gewoonlijk Schinkevreterssteeg genoemd). Sint (!) Frederik zou een prior zijn geweest, die via dit steegje zijn klooster betrad, en de naam door het volk deerlijk verbasterd. Het daar wonende volk zal zeker niet veel ham gegeten en mogelijk uit zelfspot de naam bedacht hebben.

Na de opheffing van het Jacobijner klooster kon Achter de Grote Kerk ontstaan (1619 achter Jacobinen kercke, 1760 Agter de grote kerk), dus nog op het kloosterterrein. Al eerder vond men, achter het klooster, de Reufkamp (1529 op de Reufkampe, 1547 achter Jacopynen op den Rueffkamp, 1548 opte Lutke Reufcamp, 1586 op de Ryffcamp op de Nyeburen) - mogelijk was dit een kooltuin (roeve = Rübe = raap, kool) of een wijngaard (reuve = Rebe). Op het terrein (de appelhof) van het voormalige klooster is de Bredeplaats ontstaan (1655 aen de plaetse van de costerije, 1702 op de brede plaets achter Jacobinerkerck) met het Luilekkerland (1598 panwerk in ’t gewezen Jacobyner cloester, 1749 Luy Leckerlandt, 1791 ’t zoo genaamde Luilekkerland vanouds het panwerk genaamd bij de Breedeplaats); ook hier moeten we aan ironie denken: de bewoners van de aanvang 18e eeuw door de Hervormde diaconie ter plaatse gestichte veertien armenkamers leefden zeker niet in een luilekkerland (na jarenlange leegstand is het verwaarloosde complex in 1968 gerestaureerd en verbouwd tot zes woningen).

We komen nu aan de rand van de terp van Nijehove, de Nieuweburen (1546 op de Nyeuwbuyeren), kennelijk een nieuwe stadsuitleg; in 1618 trachtte het stadsbestuur er een rooilijn in te voeren. Nog in 1644 was het er erg landelijk: de buiren op de Niebuiren aen de suidsyde aen te seggen om hen wallen te ontledigen van gemacken ende bargehocken. Voor de demping van de gracht (1863/ 65) heette het doodlopende westelijke deel van de z.z. Keerweer (1797 op de Nieuweburen aan de zuidkant in de Weeromkeer, 1829 Keerweer). Men vond hier vele stegen. Tussen de nos. 44 en 46 begint nog de Poptasteeg (1670 Jan Poptasteeghe, 1674 Poptastraet, 1681 Pipsteech, 1723 Pip off Poptasteegh, 1760 Pipsteig, 1805 Poptasteeg). Jan Jacobs Popta verkocht omstreeks 1665 acht ledige plaatsen achter de kosterij van de Grote kerk: de steeg daarlangs zal toen zijn naam hebben ontvangen; bij pip zal men toch niet behoeven te denken aan de snotziekte van gevogelte. Tussen de nos. 50 en 52 ligt de toegang tot de Pottebakkersplaats (1604 op de Nyebuyren achter de pottebackers, 1639 op de Nieuwebuiren op de Pottebackersplaets, 1685 de Pottebackersplaetse, 1980 Pottebakkersplaats); inderdaad was er ter plaatse een pottenbakkerij, de Potbakkerspijp over de gracht bestond al in 1597. De (verdwenen) Doorgaande steeg (1683 de duergaende steegh bij de Put, 1760 Doorgaand steegje) zal haar naam danken aan het feit, dat deze niet dood- maar doorliep naar Bij de Put, de Bargejagerssteeg naast 112 (1718 de Bargejagersteegh op de Nieuwebuyren) aan de een of andere daar woonachtige bargejager of veedrijver.

Aan de noordzijde van de Nieuweburen vond men (met toegangen in de Opgang en tussen de nos. 11 en 13) Achter de witte hand (1803 agter de zoogenaamde witte hand in het agterom agter de Nieuwebuuren, 1845 Achter de witte hand, 1874 Wissesachterom), gelegen achter het huis genaamd de witte Hand (1805). Tegenover de Bredeplaats ligt de Opgang (1599 straat van de pottebackerspiepe oppe Nijebuyren op ’t bolwerck gaende, 1845 opgang), tegenover de Monnikemuurstraat de Vijzelstraat (1839 opgang, 1865 Vijzelstraat of opgang naar de Noorderkade, 1877 Vijzelstraat); deze straatjes leidden omhoog naar de stadswal. De naamgevende vijzel stond boven de deur van apotheker Jan Cornelis Hanekamp van Harinxma (1793 - 1858), sedert 1839 Nieuweburen 93. In het Spooksteegje (tussen 77 en 79) (1795 aldus) zal het wel bijzonder duister zijn geweest.

Steeds meer oostwaarts gaande, bereikt men het noordeinde van de Voorstreek w.z. (1537 opte Lutkebueren, 1549 opte Lutkebueren by Sinte Katarynenpoorte, 1584 de Lutke Nyeburen by de Hoexster poorte, 1716 by ’t Doccumer endt, 1751 Lutkeburen, 1794 ’t Dockumer end, 1924 Voorstreek), kennelijk oorspronkelijk een klein rijtje huizen achter de Hoekster poort; waarschijnlijk zal van deze plaats het beurtschip naar Dokkum zijn afgevaren. Hier stond het huis de groene Canne (aldus in 1584, 1607 huys bij de Hoexterpoort aen ’t bolwerck daer de groene canne uuthangt ofte op de stock is staende), waarachter, en langs de stadswal al vroeg een buurt was ontstaan (1511 die nije werlt, 1531 die buyrte aen stadtsbollwerck hyetende die nije werlt, 1561 de nije werelt by’t bollewerck, 1583 by Hoecxterpoert achter de grone canne, 1597 op de nyeuwe warrelt omtrent’t bolwerk by Sinte Cathrinapoorte achter de groene kanne, 1599 achter de groene can op de gebuyrte genaemt de nije werlt, 1606 het bolwerck genaemt op d’nije warlt, 1760 Achter de groene kanne, 1845 de Noorderkade, 1863 Noorderweg). Hierop sluiten aan de Wissesdwinger (1749 Wabbe Wissiesdwinger, 1839 Wisjesdwinger, 1845 Jacobijner of Wabbe Wissesdwinger, 1877 Wissesdwinger), de inmiddels verdwenen Wissesstraat (1749 Wabbe Wissiesstraat, 1845 Jacobijner of Wabbe Wissesstraat, 1877 Wissesstraat) en de eveneens spoorloze Wissessteeg (1877 aldus). In 1614 kocht Wabbe Wissesz., monsterschrijver van Friesland (1602 monstercommissaris genoemd, degene, aan wie de monstering van het krijgsvolk was opgedragen), een huis en hof achter Jacobijnen ter afronding van eerder verworven bezit. De achter zijn terreinen gelegen dwinger (= bolwerk) zal aan hem zijn naam hebben ontleend; in 1698 werd een gedeelte van de dwinger door het stadsbestuur als bouwterrein uitgegeven. Een steegje op de Wissesdwinger droeg de naam Drift (1877 en 1904 aldus), een elders ook voorkomende aanduiding, dat daarlangs wel vee werd gedreven.

Aan Nieuweburen en Wissesdwinger grenst het Schoenmakersperk, genaamd naar het ten westen hiervan gelegen terrein, waarop de schoenmakers hun leer looiden en het verder toebereidden (1549 de broederen looyende oppet ambachts of schoenmaeckersparck). Deze werkzaamheden verspreidden minder aangename geuren, waarom dan ook alle gildebroeders werden verplicht, hun eekhuisjes en kalkdobben niet achter hun woning, doch op het Perck te plaatsen. Het gilde pachtte dit, aanvankelijk afgelegen terrein van de kerk van Oldehove voor 12 goudgulden jaarlijks. In 1807 kregen de commissarissen van het opgeheven schoenmakersgilde toestemming om het perk te verkopen. De huizen stonden niet aan het perk zelf, maar aan de daarlangs lopende Pijlsteeg (1576 in de Pijlsteige aen het schoenmaeckersparck, 1602 bij de Pijlsteechster ofte Leertouwerspijpe). Nog in 1617 werd het perk uitgebreid tot aan de Groeneweg. In de afrastering bevond zich een poortje, waarop schoenmakers- en looierswerktuigen waren afgebeeld. De stenen met die afbeeldingen zijn thans nog terug te vinden in een der poortjes aan de Groeneweg van het Nieuw Sint Anthonijgasthuis, dat in 1864 gereed kwam op het voormalige perk. De koopman Isack Salomons (1751 - 1821), wonend aan het Schoenmakersperk, nam daarnaar in 1812 de familienaam Duparc aan en werd de stamvader van het bekende intellectuele geslacht van die naam. Eekhoff stelde in 1876 tevergeefs voor, het lange en verouderde S. te vervangen door het Perk. Van het perk westwaarts liep de Perksteeg (1627 Percksteigh), die door de bouw van het gasthuis is verdwenen; in 1856 waren er nog elf woningen in die 17 m. 20 lange steeg.

Ten zuiden van het Schoenmakersperk lagen een oude (in 1864 gedempte) binnengracht en het Perkswaltje (1619 achter de groote schole, 1686 ’t Waltie over ’t Schoenmaeckersperck, 1690 de Perckswal achter de oude school). Eekhoff had ook bezwaar tegen de aanduiding waltje en stelde in 1876 voor, deze naam te vervangen door Gasthuisperk, welk advies door B. en W. niet is gevolgd. In het verlengde van het Perkswaltje (naar het Jacobijner kerkhof) liep de Weeshuisstraat (1829 Perkswaltje, 1843 P. bezijden het weeshuis, 1865 Weeshuisstraat) langs het 1675 gestichte Nieuwe Stadsweeshuis. Het advies van Eekhoff tot naamswijziging werd hier wel gevolgd (1877 Perkstraat, 1982 A.S. Levissonstraat).

De Modder, 1911 Een dwarssteegje naar de Gr. Kerkstraat stond bekend als de Modder (1687 de Modder aen het Jacobiner kerckhoff, 1700 de plaets bij het stadts weeshuys de Modder genaempt, 1749 Bij de Modder, 1839 de Modder); er werd tot 1765 in begraven (!). Het advies Kerksteeg i.p.v. Modder, dat thans geen modderpoel meer is en van die smet gezuiverd dient te worden werd in 1876 niet overgenomen. In 1911 is deze steeg aangekocht ten behoeve van de bouw van de St. Elisabethschool (1914-1977, 1987 tot woonappartementen verbouwd). De Kerksteeg zou geheten hebben naar de in 1765 afgebroken, voormalige parochiekerk van Nijehove, op de hoek van het Jacobijnerkerkhof.

Naar deze (O.L.V.) kerk was al eeuwen eerder de Grote Kerkstraat genoemd (1549 Kerckstraete, 1552 Grote Kerckstraete). In deze straat stond tot het eind der 15e eeuw de O. L. Vrouwepoort van Nijehove; de buitengracht kruiste deze belangrijke verbindingsweg met Oldehove ter hoogte van de huidige Sint Anthonystraat. Nog juist op het territoir van Nijehove stond het St. Anthonijgasthuis (al vermeld in 1425), het meest bekende der Leeuwarder gasthuizen. Tot er 1877 - ’80 een massaal complex voor proveniers werd gebouwd (1989 verbouwd tot appartementen), bestond het gasthuis uit vele grotere en kleinere woningen, gelegen aan straatjes en pleintjes. Zo vindt men in 1710 de donckere ganck en in 1723 de Heerestraet in Anthonij gasthuys genoemd. In het Quotisatiekohier van 1749 werden onderscheiden: op ’t Hoog, Nieuwebuiren, de Duistere gang, Heerestraat, over’t Washuis, op’t Kraakje en in de Kerk. In 1875 kende men er de Driehoek, Heerestraat, Donkere gang, de Keldertjes, Nieuweburen, het Hoog, Kerkgang en Beyersgang.

Tussen Gr. Kerkstraat en Perkswaltje, tegenover het (Oud) St. Anthonijgasthuis, vond men een conglomeraat van steegjes, waarvan thans alleen de Wijde Gasthuissteeg (1582 Gasthuysstraete, 1583 Gasthuyssteyge, 1611 stege over het gasthuys, 1829 Groote Gasthuissteeg, 1845 Wijde Gasthuissteeg) nog een functie heeft. Haaks op deze verbinding met het Perkswaltje stond de inmiddels verdwenen Kromme Elleboogsteeg (1687 Cromme ellebooghsteegh, 1700 Kroem ellebooghsteegh). Mogelijk was deze, kennelijk kromme steeg identiek met de Poolsteeg (1749 aldus, 1747 kocht Jacob Pool drie woningen in de Gr. Gasthuissteeg) en met de Tipelsteeg (1728 Tijpelsteeg, 1775 Typelsteegje, 1865 Tepelsteeg) (naar het tipelspel?), die tot circa 1878 de Wijde Gasthuissteeg met het Perkswaltje verbond. Tussen Perkswaltje 6 en 12 vindt men nog de, nu met een hek afgesloten Digte Gasthuissteeg (1845 aldus) en tussen Gr. Kerkstraat 55 en 57 de Naauwe Gasthuissteeg (1646 Nauwe gasthuyssteege), in 1856 tussen 95 en 128 cm. breed en 57 meter lang, met 7 woningen.

De buurt aan de overzijde van het Perkswaltje was al vroeg minder in trek, wat niet alleen veroorzaakt werd door de geuren, die met de looierij annex waren. Nog in 1559 werd bepaald, dat alle harbargiers, die bevonden zijn binnen deeser stede bordeel te houden, voortaen nyet en sullen moegen tappen noch geselschap setten, ’tzij bij daege ofte bij nachte, tenzij zaecke deselve hun woon- plaetse hebben ofte nemen ten noorden van den steenen pijpe leggende in de Pielstege binnen deser stede ende van daer aff langes bij des stadts vesten totten westen van den Doelen aff. Rond de Groeneweg (1546 by den groenen wech, 1562 voer aen de Pijlsteeghe opten Groenewech) lag vanouds dan ook niet alleen een groene, doch ook een rosse buurt. In 1623 werd verkocht een hoff met grond, bomen ende plantagie zampt bloemthuyn midsgaders ’t somerhuyske, de Groenewech ten noorden.

Aan die Groeneweg kocht in 1803 de koopman Jacob Vonk (1762-1806) enkele pandjes, die hij liet afbreken en vervangen door een rijtje van zeven woningen (1843 thans ook Vonkeburen genaamd, 1878 Vonkebuurt), dat met de sanering van deze wijk is verdwenen. Meer westelijk lag het, eveneens opgeruimde, Zalmklooster (1786 het z.g. Zalmklooster, 1802 het Salmklooster); dit hofje bleek eigen- dom te zijn geweest van de zalm- en oesterkoper Philippus Reviersma (overleden 1801). Daar in de omgeving lag ook de Kreupelstraat (1676 de Kreupelstraet ontrent de Doele, 1685 op de hoeck van de Cruepelstraet aen de Groenewegh, 1709 Butterkruepelstraat), die in 1786 voor het laatst vermeld werd gevonden (als belender van de toen aangelegde Joodse begraafplaats aan de Groeneweg). Ook andere steden kenden een Kreupelstraat, kwartier van gebrekkige arme lieden; vandaar de zegswijze hij woont in de Kreupelstraat, hij weet hoe zich erbarmelijk voor te doen, is uitgeslapen.

In 1540 werd aan het eind van de toen nog niet zover doorgetrokken Groeneweg een nieuwe schuttersdoelen gebouwd (een ouder gebouw stond in de nog te noemen Oude Doelesteeg); de toegangsweg verkreeg de naam Doelestraat (1555 Doelstraete, 1596 Nyeuwe Doelesteyge) en de verbinding met de Groeneweg de nieuwe Oosterdoelestraet (1609 aldus, 1611 de nyeuwe straete op ’t oost van de Doele, 1614 nieuwe Doele oosterstraete). Ten noorden van de hof van deze doelen, dus tegen de dwinger, lag het Tournooiveld, dat in 1604 door de stad aan Graaf Willem Lodewijk in gebruik was gegeven tot eene ren- en picqueurplaetze. In 1648 verkreeg stadhouder Willem Frederik bovendien nog het gebruik van de aangrenzende Doeledwinger omme by Sijn Excellentie tot een lusthoff ofte andersins, na welbehagen van Sijn Excellentie, geimployeert te worden. Dit later nog uitgebreide terrein, de Prinsentuin (1760 ’s Vorsten tuin, 1845 Stads of Prinsentuin) werd in 1819 door Koning Willem I weer aan de stad Leeuwarden overgedragen, gevende Z.M. daarbij te kennen, dat het hem aangenaam zal zijn, dat de gezegde Tuin bij voortduring in stand gehouden worde, en op den bestaanden voet tot wandelplaats voor de ingezetenen bestemd blijve.

In het verlengde van de Groeneweg lag het Sint Jobsleen (1647 op St. Jobsleen bij Swaentiedijckswal, 1685 bij St. Jobsleen omtrent het Oldehoofster kerckhoff, 1845 St. Jobsleen of Doelebuurt). Het nog als studieleen bestaande Sint Jacobs- of Jobsleen is gesticht door Jelle Juwsma, sacristijn van Oldehove, n.a.v. de dood van zijn halfbroer, de olderman Pieter Sijbrants Auckama, bij het bieroproer, op St. Jacobsdag 1487. De priester die tot de reformatie het St. Jobsaltaar in de kerk van Oldehove bediende, bewoonde het St. Jobsprebendehuis, dat in 1674 door de stad op afbraak werd gekocht. Al eerder, in 1645, was de bij dat huis behorende grond verpacht en met 21 woningen bebouwd. In het perceel Boterhoek 137 was een gevelsteen beland (na afbraak van dat pand naar het museum Princessehof overgebracht) met het opschrift Aº 1645 Maert 18. Dese plaets is genaemt St Iops lyen. Daer op heeft Iucke Pytters van Typsma geleit de eerst stien. (een Jucke Pieters metselaar huwde alhier in 1649).

Aan (de woning van) een pastoor van de kerk van Oldehove, Heer Ivo Johannes, aartspriester van Friesland (overl. 1581), ontleent het Heer Ivostraatje zijn naam (1591 de Pastoriestrate te Oldehooff, 1664 Heer Evo straet, 1829 Heroijvostraatje, 1839 Heer Ivostraatje). Rondom de meergenoemde Sint Vituskerk van Oldehove (in 1596 afgebroken, de 1529 - ’32 gebouwde toren houdt nog stand) lag het Oldehoofster kerkhof (1544 aen Sinte Vitus kerckhoeve), dat tot 1833 tot begraving gebruikt werd. In de zuid-oosthoek bevond zich een 1967 afgebroken, minder aanzienlijk buurtje, in de volksmond spot- tenderwijs Witte kousenbuurt genoemd.

De bebouwing tussen Oldehoofster kerkhof en de Noorderplantage droeg de naam Boterhoek (l645 op ’t noord van Oldehooff in de Butterhorne, 1706 Boterhorn, 1820 Boterhoek), mogelijk naar de aldaar voorkomende koestallen en melkerijen. In het oostelijke hoekhuis (no.199) bevond zich een gevelsteen met de afbeelding van een koe - doch kennelijk aangezien voor een kalf - en daarbij YB TM 1743. Ysbrand Baukes, in 1749 een suinige rentenier, verkreeg in 1750 een stukje grond in erfpacht van de stad, ter afronding van zijn bezit in de Boterhoek; hij huwde in 1736 met Trijntje Meinderts, met wie hij dus in 1743 het huis het Kalf liet bouwen. De daarnaast beginnende, doodlopende steeg werd daarom Kalvergloppe genoemd (1760 Kalverstraatje, 1793 Kalvergloppe, 1845 Kalvergloppe of Schoolsteeg); deze steeg bood destijds toegang tot het gebouw, waarin in 1841 de Tweede Tusschenschool werd gehuisvest en dat nu o.m. onderdak biedt aan de studio’s van Omrop Fryslân.

Het huis Boterhoek 141 was genaamd de Oranjeboom; het hofje erachter verwierf daarnaar de naam Oranjeklooster (1829 aldus). Die woningen waren in 1859 in het bezit gekomen van het kerkbestuur der Joodse gemeente, dat er o.a. een Joodse godsdienstschool in onderbracht. In 1886 werd het Ned. Isr. armbestuur eigenaar, dat door architect H. R. Stoett tien nieuwe kamers en een poort aan de straat liet bouwen: 4 mei 1887 werd de Hof Goozen ingewijd, 1936 - na zes jaren leeg gestaan te hebben - weer gesloopt. Naamgever van de Hof was het land Gosen, een district van N.O.-Egypte, dat (door pharao Ramses II?) aan de Israëlieten ter bewoning was afgestaan.

Tussen Boterhoek 93 en 105 begon de Drift (1845 aldus), waarlangs - evenals elders in de stad - waarschijnlijk vee werd gedreven, tussen 77 en 79 het Poortje (1749 in ’t Poortie) en tussen 45 en 51 de Korstbijterssteeg (1749 Kurstebijterssteegh), in 1856 twaalf meter lang met vijf woningen; de benaming duidt niet op hoge welstand van de bewoners. De naam van het nog westelijker gelegen Brandjeklooster (1788 aan de stadswal bij de Oudehoof het Klooster genaamd, 1829 Brandjesklooster) kan ontleend zijn aan een aanwonende Ger- of IJsbrand; in 1856 varieerde de breedte van 96 tot 370 cm., de lengte was 23 m. en het aantal woningen 8.

Ten noorden van deze buurt ligt de Noorderplantage (1699 in de Oldehoofster dwinger, 1725 bij de Oudehooff in het Klein Fentie, 1829 Klein Ventje, 1845 de Oldehoofster dwinger nu de Noorder Plantaadje). Dwinger is de Friese benaming voor bastion; dit bolwerwerd in 1619 aangelegd en 1842/43 tot plantsoen ver- graven. Ven, venne of finne wijst op laag gelegen wei- land, Klein Fentje zou dus duiden op een stukje moerassig land juist achter de wal; merkwaardig is het dan, dat een rogmolen in 1725 ìn het Klein Fentje stond - waarschijn- lijk heeft deze toch òp het bolwerk gestaan. Aangrenzend loopt zuidwaarts langs de stadsgracht de Westerplantage (1845 de Lieve Vrouwepoortsdwinger nu de Wester Plantaadje). Hier stond sedert het eind der 15e eeuw, tot haar afbraak in 1837, de Vrouwe(binnen)poort.

Meer binnenwaarts loopt de Torenstraat (1598 Oldehofster straete, 1607 Toornstraet bij Oldehoff, 1682 Oldehoofster Toornstraet), waarover de 1529-’32 als nieuwe toren voor de St. Vituskerk gebouwde Oldehove peet zal hebben gestaan. Daarnaast stond het Burmaniahuis, tot 1816 bewoond door afstammelingen van Fredericus Buremanninghe, wiens zonen in 1300 (!) afstand deden van hun patronaatsrechten op de kerk; over de grond ervan werd de Burmaniastraat gerooid (1585 straet lopende uyt de Cleyne Kerckstrate na het diept, 1589 Burmaniasteyge, 1591 Burmaniastrate). Een deel van de in 1875 op de plaats van het oude Burmaniahuis verrezen heerenhuizinge is bij de afbraak daarvan in 1991 gespaard; het maakt nu deel uit van het stadskantoor. De Kleine Kerkstraat (1425 in der Scothstrede, 1540 in de Schotstraete, 1549 in den Schotsen straete, 1556 in den Cleynen Kerckstraet ofte Schotse strate) heet naar de kerk op het Oldehoofster kerkhof. Het kerkhof zal wel afgeschut zijn geweest en dat kan tot de naam Schotstraat hebben geleid; nog in 1843 droegen enkele woningen aldaar de aanduiding bij den sluitboom. Tussen de nos. 25 en 35 vond men de toegang tot de Regenboogsteeg (1660 steeg met huis daer de regenboogh uithangt, 1845 Regenboogsteeg), in 1856 20 m. lang met vier woningen; reeds in 1633 stond er in de Kl. Kerkstraat een huis daer de regenboogh uithangd, in 1680 is sprake van de drye regenboegen. Omdat de vier woningen (in 1878) eigendom van de Hervormde diaconie waren, kreeg deze steeg in de volksmond ook wel de naam Diaconiesteeg. Tussen de nos. 6 en 14 begon de inmiddels verdwenen Muntesteeg (1843 vroeger denkelijk de Muntesteeg genaamd, 1877 Muntesteeg). In 1653 kocht muntmeester Coenraed Raerd een huis in de Kl. Kerkstraat; dat werd zeven jaar later door zijn crediteuren verkocht, evenwel zonder alle gereedschappen van de munte.

Bagijnestraat 57 e.o., ca. 1790 (uitsnede prent J. Bulthuis) De Bagijnestraat (1537 Sinte Annastrate, 1544 Bagynenstraete èn Sinte Annenstraete, 1644 de Baginestraet ofte nu de Westerkerkstraet) is genoemd naar het St. Annaklooster der grauwe bagijnen, gesticht op de terp Fiswerd (nu de oude begraafplaats) en in 1510 overgebracht naar het terrein tussen de huidige Bagijnestraat, Sint Anthonystraat, Gr. en Kl. Kerkstraat. Een deel van de tegenwoordige Westerkerk en van het ten westen daarvan staande gebouw (v.m. patershuis, 1570 eerste onderkomen van de Leeuwarder bisschop) behoorden tot dit kloostercomplex. De steeg de Kaatsbaan (1688 een steeghien ontrent de kaetsebaen in de Bagijnestraet, 1820 de Kaatsebaan) gaf toegang tot een ravet of kaatsbaan, 1587 ingericht achter een huis in de Kl. Kerkstraat, welke tot in de tweede helft der 18e eeuw bleef bestaan.

Naar het noorden leidt de Bollemanssteeg (1586 de begoste nieuwe straet van de Grote Kerckstraet na de Bagynestraete, 1589 de nyuwe straet lopende door t bagijneklooster in de Begijnestraat, 1604 Stadts alias Lombertsstrate, 1624 Scholestrate achter de lombert, 1632 nije steig ofte Schoolstraet, 1645 Bollemansstraet, 1650 Schoolstraet, 1664 Bollemanssteegh, 1845 Bollemanssteeg of Schoolstraat). Harmen Harmensz. stalmeister alias bolleman woonde in 1594 in een deel van het voormalige klooster; hij hield er klaarblijkelijk één of meer stieren (de straatnaam komt ook elders voor: Bollemanssteeg in 1786 te Wirdum). Ook de bank van lening van Jacques Balbian was aldaar (1602 - 1618) gevestigd; in 1623 werd het gebouw aangekocht ten behoeve van de Latijnse school, welke ter plaatse (sedert 1846 als gymnasium) tot 1868 gevestigd bleef. Naar de noordelijke ingang van de Westerkerk voerde het Hofstraatje (1694 Hoffstraetie), aldus omdat via een brugje over de oude gracht (nu Sint Anthonystraat) stadhouderlijk gezin en personeel gemakkelijk de kerk konden bereiken. Een tegen deze gracht doodlopende steeg (cul-de-sac) in de Bollemanssteeg droeg de naam Zak (1758 de Sak in de Bollemanssteeg). Bij de afbraak van diverse kloostergebouwen in 1930 verdween dit buurtje, maar in 1985 is dezelfde naam toegekend aan een ongeveer op die plaats ontstaan verbindingsstraatje.

Ook gesloopt (sedert 1929) werd het conglomeraat van stegen en steegjes ten westen van de Bollemanssteeg. Via de Kalksteeg (1650 de Kalcksteig uyt de Schoolstraet comende) kwam men in het Bagijneklooster (1606 ’t Grau Bagynenclooster, 1674 het Clooster in de Bagijnestraat, 1749 Klooster, 1845 Bagyne Klooster), een hofje op het voormalige kloosterterrein. Vandaar leidde naar de Bagijnestraat de Kloostersteeg (zonder daaraan nummerende huizen) en naar de Gr. Kerkstraat de Rochebrunesteeg (1613 Bontemanssteegh, 1749 idem, 1782 Rochebruinesteegie, 1829 Rossebruinsteegje, 1845 Rochebrunesteeg). In 1614 is er sprake van verkoop van grond achter de olde huysinge, by Jan Bonteman tot camers verpacht; in de 18e eeuw werd het huis op de hoek van de Gr. Kerkstraat enige tijd bewoond door Henri Marius Brunet de Rochebrune (1697 - 1732), kapitein van de garde van de stadhouder.

Terugkerend naar de Bagijnestraat, vinden we aan de zuidzijde de Nieuwesteeg (1597 de nye steyge van de smalle Nyestad na de Bagijnestraet, 1610 de nyuwe straet lopende van de Nyuwe stadt in de Baginestraet). In 1667 werd door de magistraat geresolveert, dat de Nieuwe steegh tot cieraet van de stadt nae de Bagijnestraet een halve voet sal werden verhooght ende nae de Nieuwe stadt sal uytwateren, met clinckert in ’t midden gevloert.

En dan zijn we aangeland op de Nieuwestad. De noord- of smalle zijde werd tot in het derde kwart van de vorige eeuw echter meestal niet als zodanig aangeduid, doch (achtereenvolgens) als Bij de (voormalige) Vrouwenpoort of Harlingerend (1 - 21), Bij de Duco Martenapijp (23 - 43), Deinumer Zuupmarkt (45 - 71), Vleeschmarkt (73 - 105), Bij de Lange pijp (107-113), Over de Waag (115-129), Bij de Waagsbrug (131-135) en Bij de Tontjepijp (137-141). In 1601 bestemde het stadsbestuur een deel van de smalle zijde van de Nieuwestad (van de Lange pijp af in de richting van de Martenapijp) tot vleesmarkt, d.w.z. daar konden vleesbanken geplaatst worden tot de verkoop van vlees en spek gedurende de wintermaanden. In 1876 adviseerde Eekhoff (zonder succes), de lange en leugenachtige naam Deinumer Zuupmarkt (1664 aldus) te vervangen door Lindegracht. Voor de bevalligheid, behoeft die naam ook niet te blijven.

De zuidzijde heet vanouds Nieuwestad (1456 Nye Stedstera, 1475 upper Nyasted), al werd hier ook wel mee bedoeld de gehele nieuwe uitleg op het land, dat ontstond waar eens de Middelzee was. Men onderscheidde hier N. bij de Vrouwenpoort (ook: Harlingerend), N. bij de Martenapijp, N. bij de Lange pijp, N. bij de Waag en N. bij het Waagsplein (het Markt). Van 1564 tot 1697 werd de wal langs het water tussen Martena- en Lange pijp als veemarkt gebruikt. In 1698 werden van stadswege langs de gehele wal (in 1726 tot meerder cieraad eegalijk geschooren) lindebomen geplant, waartoe de aanwonenden ieder een rijksdaalder betaalden. Sedert 1877 heten noord- en zuidzijde zonder meer Nieuwestad.

Niet vast staat de verklaring van Schavernek (1578 bij de Schavernexpijpe, 1579 op ’t Schaverneck, 1599 de waterpoorte, het Schaverneck genaemt, 1670 op Clein Schaveneck, 1845 Groot Schavernek). Het woordenboek der Ned. taal geeft als betekenissen van schabbernak/schavernek: wonderlijk of onooglijk kledingstuk, er wonderlijk of onooglijk uitziend persoon, rakker of kwajongen, lichtzinnige, oude magere koe en bouwvallig huis, kortom een weinig aantrekkelijk object. Men krijgt de indruk, dat dit oudtijds een zeer onaanzienlijke buurt moet zijn geweest. In 1629 en 1649 is deze evenwel aanmerkelijk opgeknapt (rooiing en bevloering), ook al met het oog op de reizigers, die hier met de trekschepen uit de richting Harlingen en Bolsward arriveerden. Ook langs het Ruiterskwartier (1586 de straet lopende naest het bolwerck, 1657 ’t Ruytersquartier) ontstond er een in weinig aanzien staande buurt, merendeels bevolkt door lieden, waarop de oorspronkelijke betekenis van het woord ruiter van toepassing was: landlopers, zwervers en bedelaars.

Zoals op diverse andere plaatsen aan het bolwerk, heeft er op de hoek van Schavernek en Ruiterskwartier een molen gestaan. Omstreeks 1610 werd er over het terrein van die molen (1582 de mollenersfenne) de Molensteeg aangelegd (1612 de Muelenstrate bij ’t Schaverneck, 1613 de nieuwe steeg van ’t Schaverneck over de meulenerscamp of gardeniersthuin tot in de Heer Hanniasteyge). Tussen Nieuwestad z.z. en Ruiterskwartier vonden en vinden we een groot aantal, nu niet meer bewoonde, ten dele doodlopende stegen en steegjes. De half-overbouwde, in 1984 met een deur afgesloten Messemakerssteeg (1749 Poolsteeg, 1788 Messemakerssteegje), tussen N. 20 en 26, heeft haar naam ontleend aan Jacobus Pool, koopman en scheermesmaker, in 1720 koper van drie eenkamer- woningen in deze steeg met het daarvoor staande hoekhuis aan de Nieuwestad. Ten westen van het huis de Wolf (N. 28), 1616 eigendom van Wolff Hansz. zadelmaker, ligt de Wolvesteeg (1664 Wolwesteygh), die uitmondt in de Haniasteeg. Deze laatste (1612 mijnheer Hanniasteegh), tussen N. 36 en 38 en R. 45 en 47, zou haar naam kunnen danken aan dr. Sjoerd Hania, die (volgens Eekhoff) omstreeks 1600 gewoond heeft in het Martenahuis (N.40), door welks tuin deze steeg gerooid werd. Daar lag ook het raadselachtige Jakkelegat, waar in 1749 negen woninkjes stonden. Mag hier verband gezocht worden met in spultsje van Jakkele, een zaakje van niets? Een doodlopende steeg aan de Nieuwestad, waarschijnlijk tussen de nos. 42 en 44, heette toen Schoolmeesterssteegje, naar de particuliere school van meester Arnoldus Krukmeyer, van wie het belastingkohier van 1749 vermeldt: wint nauwelijx de cost. Ongeveer in het verlengde daarvan lag een, in het Ruiterskwartier uitmondende, doodlopende steeg met de veelzeggende naam Bargehok (1749 aldus, 1775 in de sogenaamde bargehokken, 1788 een huizinge in het Ruitersquartier ’t Bargehok genaamd, bestaande in vijf wooningen).

Tussen N. 48 en 50 en R. 59 en 61 ligt de Ipe Brouwerssteeg (1620 Eepo brouwers ofte de burgemeester Atsmasteegh, 1621 de heer Atsma ofte Adie Lamberts steige, 1637 en 1664 Atsmasteeg, 1661 en 1685 Axmasteeg, 1680 en 1749 Epo Brouwersteegh, 1760 Atsma- of Ype Brouwerssteig, 1845 Yvo Brouwerssteeg), waarvan de naamgever, de brouwer Eepe Meynertsz., in 1589 bij decreet een huis op de Nieuwestad z.z. kocht. De veroveraar (1580) van het Leeuwarder blokhuis, burgemeester Adie Lamberts, was eigenaar van het hoekhuis; zijn schoonzoon, burgemeester Renicus Atsma stierf 1625 in dat huis; diens dochter Rinske huwde 1638 de ontvanger Petrus Axma, die er ook ging wonen en in 1680 overleed. In een op het R. tussen de nos. 63 en 85 uitkomend, doodlopend steegje met de naam Bolswardersteeg (1707 aldus) stonden de door de gefortuneerde echtelieden Harcke Reyners en Doutje Heeres in 1678 gestichte Bolswarder kamers, een gasthuisje met vijf kamers, waarin tot 1915 oude hulpbehoevende vrouwen onderdak werd verleend; de naam Bolsward is hierbij betrokken omdat Harcke zijn stal in dezelfde steeg verhuurde aan de Bolswarder veerschippers. De stichter van het Popta-gasthuis te Marssum, dr. Henricus Popta, eigenaar/bewoner van het pand Nieuwestad 58, liet in 1696 ook een aantal kamers voor arme weduwen achter zijn huis (ver)bouwen; naast dat huis kwam de toegang, via het nog bestaande fraaie poortje (1749 dr. Popta gasthuis, 1800 Poptasteeg, 1843 In het Struivingspoortje, 1845 Poptakamers, 1856 Struivingspoortje). De schilder van antique modes, behangsels en schoorsteenkleden Dominicus Jans Struiving (1755-1817) was rond 1800 bewoner en bezitter van genoemd huis aan de Nieuwestad.

Tussen R. 107 en 109 mondde de Baarsjessteeg (1768 Beerskesteeg, 1829 Baarsesteegje, 1843 Baarsjessteeg) uit, kennelijk genaamd naar de stokerij het Beerske (1746, 1780) in het pand Ruiterskwartier 111. Dit huis staat op de hoek van de aanmerkelijk bredere Oude Doelesteeg (1577 Olde Doelesteeg), lopende tussen N. 88 en 90 en R. 111 en 115. Deze drukke voetgangersstraat is genoemd naar een gebouw, dat nog in 1568 en’72 werd aangeduid als de olde doele; zoals wij reeds zagen, werd een nieuwe doele in 1540 aan het eind van de Groeneweg gebouwd. Eekhoff stelde in 1876 (tevergeefs) voor, de naam te wijzigen in Spoorstraat omdat die straat thans regelregt naar het spoorwegstation leidt.

Tussen N. 98 en 100 en R. 119 en 121 loopt de Drie (prinse)daalderssteeg (1641 de steegh achter die drie prince dalers, 1697 de 3 princedaelderssteegh, 1749 Drie Daalders steegh, 1843 Drie Prinsedaalderssteeg), welke sedert 1807 door gebruikers mag worden afgesloten. Naamgever is het huis de drye gouden prince (ook wel: conincx-)daelders, reeds in 1598 vermeld op de z.z. van de Nieuwestad (thans no. 106). Het doodlopende Stokerssteegje (l769 aldus), tussen R. 127 en 135, nu verdwenen, was in 1856 bijna 30 m. lang en onbewoond; ook hier zal wel een der vele stokerijen gevestigd zijn geweest. Dan volgt de Kastmakerssteeg (1715 aldus, 1820 afgesloten), tussen N.114 en 116 en R. 135 en 137, waarin in 1715 inderdaad een kastmaker woonde. Ten oosten van het in 1918 afgebroken koffiehuis het Gouden Wagentje (Nieuwestad 124) bevond zich het Wagensteegje (1760 aldus). De naam de vergulden waegen was al sedert 1638 aldaar in gebruik; de gevelsteen is nu ingemetseld in een muur aan de Pijlsteeg. Tussen N. 132 en 134 en R. 147 en 149 loopt de Hoedemakerssteeg (1657 Taecke hoedemaeckers steeghien bij ’t Ruytersquartier, 1675 de Hoedemaeckerensteegh tegenover de Lange pijp). Taecke Taeckes, mr. hoedemaker, kocht in 1661 voor 260 gulden een eenkamerwoning in Reyner Jelles ofte Wijbe Sioerdts steegh over de Lange pijp. Deze doorgang wisselde nogal eens van naam (1675 Wybe Woud-boerssteegh, 1708 Wybe Woudboerssteeg lopende van de Lange piep naar ’t Ruytersquartier, 1760 Hoedemakerssteig, 1829 Naauw steegje), maar is sedert 1839 steeds als Hoede(n)maker(s)steeg aangeduid.

Tussen N. 136 en 138 en R. 151 en 153 volgt dan de weer wat bredere Oude Lombardsteeg (1576 de steeg lopende van de Nieuwestadt voorbij ’t hooch huys naer het bolwerck, 1602 Hoechuyssteyge, 1646 Hoechhuistersteech, 1749 Lommertsteeg, 1760 Oude Lombardsteeg). Naamgever was het hoge hoekpand Nieuwestad 138, waarin 1665 een door de stad geoctrooieerde bank van lening werd gevestigd. In de volksmond heette de steeg ook wel Bargesteeg, naar de bargemarkt, die in 1697 werd verplaatst van de Lange pijp naar t Ruyterquartier nevens de Hooghuystersteegh. Omstreeks 1827 vestigden de gebroeders Hermann en Joseph Sinkel uit Kloppenburg zich in het meergenoemde pand, dat 1842/ 45 werd vervangen door het grotendeels nog bestaande complex, dat de gehele oostwand van de Oude Lombardsteeg beslaat. De pracht en bekendheid van deze winkel van Sinkel waren voor Eekhoff in 1876 aanleiding om voor te stellen de verouderde Oude Lombartsteeg of Bargesteeg te herdopen in Sinkelstraat. Dit advies werd niet overgenomen door B. & W., evenmin als de in 1892 en 1895 ingediende requesten van J. W. Bukers (die een schoenenmagazijn exploiteerde in een deel van de v.m. winkel van Sinkel) en andere aanwonenden, om de naam van de Lombardsteeg te veranderen in Winkel-, Bazar- of Wilhelminastraat.

Verdwenen is de tussen de vroegere nos. N. 150 en 152 uitmondende Oude Vermaningsteeg (1598 de Mennonitenstege by de Waege, 1616 de Mennistesteigh, 1640 de steegh van de Minnonietenvergaderinge, 1760 Vermaningssteeg, 1845 Oude Vermaningssteeg); nog wel bestaat (tussen de nos. 158 en 160) de Vermaningsteeg (1737 de steeg aan het Merkt, 1760 Seepsiederssteigje, 1845 Vermaningssteeg). Beide gaven toegang tot een doopsgezinde vermaning, resp. van de Oude Vlamingen en van de Waterlandse gemeente. In deze laatste, staande achter de huizen van de Wirdumerdijk, zijn sedert 1758 alle meniste richtingen verenigd; eerst in 1832 werd deze kerk toegankelijk vanaf de Wirdumerdijk. (In genoemd jaar is er door afbraak van een huis aan de Wirdumerdijk een pleintje ontstaan. Bij de herdenking van de geboorte van Menno Simons, 1496-1561, organisator van de d.g. broederschap, ontving dat pleintje 2 februari 1996 van de kerkeraad der doopsgezinden de naam Menno Simonsplein.) Een gebouw in de Vermaningsteeg, waarin een hinderlijke zeepziederij was gevestigd, werd in 1784 door de d.g. gemeente aangekocht en het volgend jaar weer verkocht onder voorwaarde, dat daarin nooit eenige zeeperij of bokkingdrogerie mocht worden uitgeoefend. De steeg fungeert nu als (nood) uitgang van de kerk en loopt niet meer door naar het Ruiterskwartier, zoals nog in 1845. Het nu doodlopende deel bij het R., tussen de nos. 173 en 177, heet Spoormakerssteeg (1878 aldus); mogelijk vervaardigde de in het midden der vorige eeuw in het perceel no. 173 woonachtige grofsmid Hendrik Heyenga rijsporen. Ten westen van ditzelfde pand stond de Blauwe poort (1730 aldus). In 1798 werden verkocht een stalling en een kamer in de Blauwe poort in het Ruitersquartier, met reed en drift over de plaats en door de blauwe poort: een aan het R. staande grijs-blauw geschilderde open doorgang. In 1846 stond te koop het huis no.165, genaamd de Groote Blaauwepoort; in 1865 is dat een herberg, de zoogenaamde Blaauwe Poort, in 1878 het logement het Metalen Kruis.

Het Ruiterskwartier was tot 1846/’50 door de Oude gracht gescheiden van het Zaailand, dat bij de stadsuitbreiding van 1621/23 binnen de wallen was gebracht (1643 ’t bouland binnen der stede aen de stadtswall, 1645 verpachtte de magistraat plaatsen in ’t suid van dese stadt aen de vesten, ’t Saylandt genaemt, tot draperie ofte lakenmakinge en tot een holtschuir); langzamerhand werd de naam beperkt tot de straat van Wirdumerpoortsdwinger (met molen de Fortuin) tot de hoge berg (met molen de Hoop). Tegen laatstgenoemde z.w. dwinger aan lag het Arendsklooster (1794 ’t zogenaamd Arends hoff bij ’t wit stek aan ’t Zaayland, 1803 het Arents clooster), een groepje van acht in 1788 gebouwde woningen. Een oudere, mogelijk uit een huis in de Grote Kerkstraat afkomstige steen, waarop een dubbele arend is uitgehouwen, werd toen aangebracht in de gevel van de middelste woning; deze steen In de svarte aerndt is na afbraak van het hofje ingemetseld in het (1991 tot studentenappartementen verbouwde) pakhuis Arendsstraat 10. Een achter het Arendsklooster gelegen rijtje huizen, toepasselijk genaamd Achter het Klooster (1843 aldus), is bij de afgraving van de hoge berg (1885/87) verdwenen.

Ten oosten van het Arendsklooster stond het huis het wit Stek (1749-1891 aldus), waarschijnlijk zo genoemd naar een wit geschilderd staketsel, dat het erf scheidde van de harddraversbaan, welke hier tot 1865 in gebruik bleef. Bij uitbreiding werd de naam ook betrokken op een naast het huis gelegen gloppe. Nog meer oostelijk lagen de seven kamers (1698-1771 aldus), nu niet meer precies te localiseren, maar ongeveer ter hoogte van de huidige Prins Hendrikstraat; in 1843 wordt daar een gloppe vermeld, in 1865 de Zuiderwalsteeg. Het noordelijk deel van de nu als Wilhelminaplein bekend staande ruimte voor het Paleis van Justitie werd in 1760 aangeduid als de Koe- en ossenmerkt en in 1845 (van west naar oost) als Veemarkt (aldaar sedert 1697), Koemarkt en Wagenplein; in 1874 is er een nieuwe veemarkt met wagenplein aan de Lange Marktstraat in gebruik genomen, waardoor deze namen hier vervielen (de aanduiding Oude Koemarkt was in 1930 nog in officieus gebruik). De in 1788 van het Waagsplein naar Ruiterskwartier en Zaailand verplaatste jaarmarkt handhaafde zich daar tot 1967; sedert het gereedkomen van de parkeerkelder (1979) wordt de kermis weer op het Wilhelminaplein gehouden.

Uit de naam Wirdumerdijk (1583 op de dijk in de straet nae St. Jacobspoorte, 1590 de Wirdummerstraete, 1594 bij Sint Jacobspoerte in Sint Jacobsstraet, 1619 de gemene strate op de dijck genoempd, 1664 de Dijck, 1705 de Dijck off brede St. Jacobstraet, 1760 de Dijk of Wirdumerdijk) blijkt nog de betekenis, die deze straat oudtijds bezat: dijk langs de Middelzee. In de achtertuinen van de huizen aan de Weaze is de eerste bebouwing langs de Wirdumerdijk ontstaan. Later werkte de magistraat hieraan bewust mee, door de eigenaar van onbebouwd terrein aldaar te gelasten om dat tot ere van de stad met bequame woningen van twe viercanten hooch te bebouwen (1617, rappèl 1636).

Met de aanleg van nieuwe stadsversterkingen (1481- ’98) werden nieuwe stadspoorten noodzakelijk. De St. Jacobs- of Wirdumerpoort werd toen van het eind van de St. Jacobsstraat overgebracht naar het eind van de Wirdumerdijk. Na slechting van de wal, van deze poort over de voormalige Huizumer waterpoort oostwaarts, ontstond aldaar na 1841 de Nieuweweg (1845 aldus). Achter die ongeveer ter hoogte van het gebouw Amicitia gelegen wal liep de Reigerstraat (1581 aan het bolwerk bij Wirdumerpoort, 1603 bij die Wirdumerpoorte in den steege naest an den poorte, sijnde een doorgangh na de Huysemer pijpe, 1744 Reigerstraat, 1769 Reigerstraat of Achterom, 1829 Achterom, 1839 Reigerstraat, 1843 het Wirdumer Achterom of de Reigerstraat); de burgervaandrig Timotheus Reiger kocht in 1738 in deze omgeving enkele pandjes ter afronding van eerder bezit en bouwde daar o.m. het huis de Reiger (Reigerstraat 2, nu afgebroken, gevelsteen in museum Princessehof). Na afbraak van de Wirdumerpoort werd de turfdragersbaan in 1835 van daar overgebracht naar een woning in de Reigerstraat (no. 11). De steeg ernaast kreeg in 1877 de naam Turfdragersgloppe, welke weer verviel in 1896 bij het ontstaan van het Reigerplein.

Evenwijdig met de Reigerstraat loopt de Nauwesteeg (1536 op die Waesse in Hans Lenssesteege, 1642 Hans Lenzesteeg bij Wirdummerpoort, 1691 de doorgaende steegh van de Waese naer de Dijk lopende, Hans Lensesteegh genaemt, 1706 Lensesteeg, 1726 Dotingssteeg, 1749 Linsesteig, 1760 Nauwe steeg). In 1583 bezat de weduwe van schepen Hans Lens de olde een huis op de Weaze - dat zal wel het hoekhuis van deze steeg zijn geweest -, in de 18e eeuw woonden er enkele leden der magistraatsfamilie Dotingh. Breder is de nog wat noordelijker lopende Ayttasteeg (1607 Aytasteige, 1677 de Wijde steegh op de Dijck, 1749 Wijde steeg, 1843 Wijdesteeg vroeger Aijttasteeg, 1845 Wijdesteeg of Aijttastraat); kennelijk heeft Eekhoff hier de oude benaming hersteld. Het hoekpand Weaze 30 (Montzima-huis) was familiebezit der Aytta’s: in 1515 werd het door hertog Georg van Saksen aan Folkert Aytta geschonken. Diens zoon Viglius van Aytta van Swichem (1507-1577) was o.m. voorzitter van de Raad van State en kanselier van de Orde van het Gulden Vlies; aan hem herinnert nog een steen in de zijmuur met een (afgekapt) wapenschild, de keten van genoemde orde en de spreuk van Karel V: Plus Oultre. In 1635 besloot het stadsbestuur, dat men den steige besijden de husinge van de praesident Ayta enige voeten sal verbreden. Tussen Wirdumerdijk 23 en 25 begint een doodlopende steeg, nog in 1877 bekend als de Roode poort (1749 aldus); waarschijnlijk zal de toegang rood geschilderd geweest zijn.

De Peperstraat (1495 in dae Piperstreta, 1549 die Piperstraet, 1572 Peperstraet) kan aangelegd zijn op een zompig terrein (peper; vergelijk Weaze), of haar naam hebben ontvangen van een pijper (fluitist), van een specerijhandelaar óf van de pypebewaierders (stadsbeambten, belast met het meten en veraccijnsen van wijn en bier - gewoonlijk aangevoerd in pijpen, langwerpige vaten - op de Brol). Opvallend is, dat ook in andere plaatsen de naam al zeer vroeg voorkomt, en ook wel in de omgeving van een bierkaai (Zaandam). Reeds in 1607 werden er beperkingen gesteld aan de maten der stoepen voor de huizen; in 1931 is de straat aanzienlijk verbreed.

De naam Weaze (1406 upper Wasa, 1493 Waesse, 1544 Wase, 1664 Waese, 1839 Waeze, 1865 Weaze) is gemakkelijk te verklaren: nog in het huidige Fries betekent hij slijk, modder - kennelijk was dit een laagliggend stuk land aan de rand van de terp. Eekhoff vond in 1876 de naam Warmoesgracht te verkiezen boven Weaze, dat thans geen slijkgrond meer is, terwijl de warmoesluiden en warmoesbanken ook hier vroeger bekende namen waren; B. en W. hielden de oude naam in stand. Wel heet het verlengde van de Weaze, tot de Brol, nu Groentemarkt (de westzijde werd eerder Bij - 1829 - of Onder de Lindeboom - 1781, 1865 - genoemd, naar een grote boom voor het hoekpand van het Naauw). De naam Weaze werd voorheen uitsluitend gebruikt voor de westzijde, de overzijde heette Over de Weaze, Waltje en Zuupmarkt. Deze laatste is nu bekend als Berlikumermarkt (1642 Huisumer suipmerck, 1760 Supmerkt, 1811 Huizumer zuipmarkt, 1845 Berlikumer markt). De handel in karnemelk is aldaar reeds lang verdreven; in 1884 werd er de weekmarkt in aardappelen gehouden. Onder de afvaartadressen der beurtschepen (sedert 1843 in de Prov. Almanak vermeld) komt ook voor: Berlikum, bij de Weaze C 283 (= Berl. markt 15). In de aanwijzing der ligplaatsen (gedrukt in 1755 en ’85) zijn de schepen voor Berlikum nog te vinden Over de Koornmarkt en elders; aan de Huizumer zuipmarkt lag toen het schip voor Wolvega.

De Oude Oosterstraat (1546 in den Oesterschen straete, 1561 Oesterstraete, 1603 Olde Oosterstrate) zal wegens haar ligging deze naam dragen; het verlengde heet Nieuwe Oosterstraat (1587 de nije Oosterstrate). Eerst in 1865 kregen Ossekop en Uniabuurt afzonderlijke namen (1585 bij het Ossenheym, 1619 dwarsstrate oplopende van de Olde Oosterstraet nae’t blockhuys, 1634 het gewesene Ossenhiem, 1760 Bij de Ossekop, 1843 Bij den Ossekop). Op de plaats, waar het 1498 geplunderde en daarna gesloopte Uniahuis had gestaan, is later ossenmarkt gehouden; bij een der aanliggende huizen (Uniabuurt 12) werd een ossekop uitgestoken (1552 ’t Ossenhuys). Een drenkplaats voor paarden bevond zich in de gracht door het (latere) Zwitserswaltje, welke het marktterrein begrensde (1526 het Henxtewad, 1577 idem, 1593 alwaer ’t olde hinxtewadt plach te staen, 1620 ’t Waltje, 1760 Hingstewad, 1795 Zwitsers waltje, 1806 het oude hengstewad of Zwitserswaltje, 1845 Zwitserswaltje of Brouwersgracht). In 1788 werd verkocht een welgereguleerde brouwerij op de hoek van de Weaze. De aanwezigheid (al in 1620, nog tot c. 1760) van de vermaning der Jan Jacobsgezinden of Oude Friezen scheen enige aanleiding te geven tot de naam Zwitserswaltje: in 1711 was er nl., na herhaald aandringen van onze Staten-Generaal, amnestie verleend aan de vervolgde Zwitserse doopsgezinden, tengevolge waarvan zich 500 personen naar Nederland begaven (voornamelijk naar Groningen en Kampen). Dat de betreffende naam echter eerst aan het einde van die eeuw opdook, schijnt evenwel op andere herkomst te wijzen; waarschijnlijk waren de 1794/5 in de Arkelei, een onderdeel van het v.m. Blokhuis, gelegerde Zwitserse Grisons, of de in 1770 op de Weaze wonende Zwitserse brouwer naamgevers. Wel worden hierdoor de namen Eerste en Tweede Vermaningsteeg (tussen de nos. 10 en 12, resp. 14 en 22, de laatste inmiddels vervallen) verklaard.

Naar het Blokhuis, de dwangburcht (1499-1580) der Saksische hertogen, ongeveer ter plaatse van het huidige gevangeniscomplex, leidde de Blokhuissteeg (1586 Bloeckhuystersteygh, 1839 Blokhuissteeg). Een gedeelte ervan (nos. 20 - 28) werd nader aangeduid als Krimp (1737 Krimpe, 1845 Krimp), d.w.z. doodlopend slopje, een ander deel (het dichtst bij de Weaze gelegen) als Munteburen, waarschijnlijk naar het pand Weaze 43, Muntenburg geheten, eens bewoond door Johannes Henricus Valckenier (1671-1699), sedert 1688 muntmeester van Friesland. Een steen, mogelijk de gevelsteen van dit inmiddels afgebroken huis, met het opschrift Munteburen 1744 belandde in de Blokhuissteeg. De naam Blokhuisplein (1642 op het Lyndehoff, 1679 Blockhuysterplein, 1810 Onder de Boomtjes, 1845 Blokhuisplein of Onder de Boompjes) vereist geen nadere toelichting. In 1613 besloot het stadsbestuur, dat men tot chiraet van de stadt daer (= bij het Blokhuis) een sierlijck lyndhoff planten sall.

De herkomst van de naam Keizersgracht is onduidelijk (1609 op de olde blockhuyster graft, 1612 blokhuyster diept, 1656 aen de noordkant van ’t blockhuysdiept op de Keysersgracht, 1760 Keysersgragt, 1862 Tuchthuisgracht). In de zijgevel van de brouwerij de Druif (hoekhuis Druifstreek) was een in steen uitgehouwen druiventros aangebracht, met het onderschrift Dit is de Keizersgracht / gegraven 16(74?). Dit water werd gedempt in 1956, welk lot reeds in 1845 het haaks hierop staande deel van de gracht trof: de Gedempte Keizersgracht (1878 aldus). Waar nu het Huis van Bewaring staat (sedert 1891), lag vroeger de Dienaarstrans (1726 op de stadswal omtrent de Trans, 1820 Dienaarstrans), een rijtje éénkamerwoningen, in 1699 gebouwd ten behoeve van de dienaars der justitie. De oostelijke straatwand van de Ged. Keizersgracht heette voorheen Haakmaburen (1677 op Haackmabuyren aen de stadtswall, 1683 bij de Trans op Haeckmabuyren, 1845 Haakmaburen); de mr. steenhouwer Sjoerd Ates Haackma kocht in 1665 aldaar (bij het Blokhuis aan de stadsvesten) enige huizen. Het ter plaatse ontstane buurtje verkreeg in 1846 aan de achterzijde een nieuwe en betere ontsluiting, toen daar op de afgegraven stadswal de Oosterkade werd aangelegd.

Kruiselings met de Nieuwe Oosterstraat loopt de Kruisstraat (1594 dwarsstraet lopende door de Nyeuwe Oosterstraete, 1599 Nyeuwe Dwars Oosterstraet bij de Galeyster kercke èn Ooster Cruysstraate, 1608 Niuwe Oosterdwersstrate ofte ’t gewesen Herenhoff, 1613 Cruys Oosterstraete, 1614 Dwars Oosterstraet, 1760 Ooster Kruisstraat, 1839 Kruisstraat). In 1845 werd het deel tussen N.O.straat en Keizersgracht afzonderlijk toegenaamd Ooster Kruisstraat of Weeshuisstraat, dit laatste naar het R.K. weeshuis, dat aldaar in 1786 gevestigd werd (opgenomen in het R.K. Liefdegesticht van architect P. H. J. Cuypers, in gebruik 1882, ontruimd c. 1938). Het 1598 van een rooilijn voorziene noordelijke deel, sedert 1960 doodlopend tegen een vleugel van het kantoor der telefoonadministratie, heet thans Galileër Kerkstraat (1585 de nyeuwe straet achter Galeyen, 1587 in het Herenhoff, 1617 de Gewaldige steige lopende nae ’t choor van Galeyster kerk, 1760 Agter de Geweldige, 1845 Galileër Kerkstraat). Naamgever was de kerk van het minderbroedersklooster Galilea, omstreeks 1500 van Oldegalileën overgebracht naar de Tweebaksmarkt en in 1940 afgebroken. In een deel van dat, bij de Reformatie door de monniken ontruimde kloostercomplex werd in 1580 de Friese munt gevestigd, waarin gedurende een eeuw munt is geslagen; ook de militaire gevangenis van de geweldige provoost vond er (1589-1824) onderdak.

Het Nieuwstraatje (1673 achter de olde munte op de hoeck van ’t nieuw stratie) is eerst in de 17e eeuw ontstaan, n.l. toen er een hinderlijke sloot in het voormalige Herenhof was gedempt. De met lindebomen beplante Heerenhoff ofte Gaerde behoorde als ’s Conincx plaetse tot 1580 bij het Blokhuis; in 1587 vernemen wij van de eerste bebouwing (Nieuwe Oosterstraat). De Driekramerssteeg (1678 Foxsteegh, 1683 Foxesteegh, 1700 Fockesteegh, 1760 Drie Kramerssteig) ontleent haar naam aan een herberg alwaer de drie cramers uythangen (1676-1700); Fox of Focke is nog niet geïdentificeerd. De huidige Ritsumastraat is in de plaats gekomen van het iets noordelijker gelegen, in 1959 geheel afgebroken Ritsumastraatje (1646 Ritsmasteige, 1648 Ritsmastraet, 1749 Ritsmastraatje, 1760 Ritsumerstraatje, 1829 Ritzumastraatje). In 1644 kocht Jacobus Ritsma een huisinge ende plaetse in de Hoffstrate ofte Droevendal ende een schoone hovinge ende somerhuys achter de Galeister Kerckstraet; door de hof rooide hij een straat en bouwde daaraan tien éénkamerwoningen, die in 1646 en ’47 verkocht werden.

Dat het Droevendal (1587 in het Galeyster hoff in de nieuwe straet genaemd het Droevendal, 1589 op Droevendal, 1590 in Drovendal achter Galeister hoff, 1594 in de Hoofstrate bij Galeyster kerckhof, 1598 Galeyster Hofstraete,1603 in den Droevigendal oft Nyeuwe Hoffstrate, 1604 op de horne van Droevendale straet, 1664 Nieuwe Hoffstraet, 1760 Droevendal) zijn naam zou hebben ontvangen van het Galileër kerkhof, waarover en waarlangs het aangelegd werd, lijkt minder waarschijnlijk; zou een beschutte plaats, waar de monniken druiven kweekten, niet meer voor de hand liggen als peet?

De stratenreeks, welke wij nu kennen als Turfmarkt (1582), Tweebaksmarkt (1660) en Druifstreek (1843), heette in de 16e eeuw Nieuwe markt (1504 oppa nye merkit, 1546 opte Nyeuwmerckt tegens over der K.M. hoff, 1547 op de Melckmarckt tegens over waar de canselrien nu gehouden wordt bij de minnebroeders, 1586 op de Nyeuwe merckt bij het Statencollegie, 1592 op de Niemerckt bij de nyeuwe Oosterstraetspijp, 1597 op de Nye merckt bij de munte). De turfdragers, die al eerder verplicht waren om te loten opten turffmarckt off tenminsten op Camminghapijp. werden in 1582 geïnstrueerd om dagelijks te erschijnen opten turffmerckt bij de cancelrie offte Galeysterpijpe. Nog in 1643 bepaalde de magistraat alle turfscuiten met volle turf sullen nivers mogen leggen als van de Tuinen af nae de munte toe aen d’ oostkant ende voorts soe nae het blockhuis ende voorts nae de Weese toe aen de suidersijde: deze schepen lagen toen dus langs Turfmarkt, Tweebaksmarkt, Druifstreek en Zwitserswaltje. Een klacht van het bakkersgilde leidde er in 1581 toe, dat de vreemde luyden, soe uyt Holland als anders, met geheele schepen vol tweebackt, deselve scheepen leggen zullen voor de olde cancelrye van Galeyster pijpe aff, voorts nae t olde blockhuys; zij mochten alleen verkopen op de jaar- en weekmarkten. In 1609 werd de twebaxluiden geconsenteert met hen twebaxschepen om tweeback te vercoopen in de stadt te mogen leggen twee dagen in de weeck, des vridachs ende saterdachs. In 1600 lag het schip van een Purmerender, die naar Leeuwarden was gekomen omme sijn twyeback, die hij innegeladen hadde, aldaer te venten, voor het Statencollegie, dus aan de westkant van de gracht, een jaar later vond een Jisper schipper ter plaatse een schandelijcken doot: ook toen al was Zaanse beschuit hier zeer in trek. Eekhoff stelde in 1876 tevergeefs voor, de naam Tweebaksmarkt te vervangen door Heerengracht dewijl hier sedert 200 jaren geen markt van beschuiten meer wordt gehouden. In zijn jaren was hier, aan weerszijden van de in 1894 te dempen gracht, de weekmarkt in groente en fruit. Nog in 1839 valt de huidige Druifstreek onder de Tweebaksmarkt, eerst Eekhoffs wijkboek van 1843 vermeldt de nieuwe naam, waarvoor de brouwerij de Druif (hoek Keizersgracht) peet stond.

Tegenover de plaats, waar voorheen de Galileërkerk oprees, ligt de Korfmakersstraat (1548 de brede strate by Galeyen, 1554 by Galeyen aen den breden straete, 1584 de breede straet lopende nae Galeyen, 1594 de Corffmakersstraat); er hebben in de 16e en 17e eeuw verschillende korfmakers gewoond. De Ciprianussteeg (1658 Cyprianussteeghie) zal wel genoemd zijn naar een huis met de naam van die heilige (Thascius Caecilius Cyprianus, 200-258, bisschop van Carthago, martelaar). Omstreeks 1610 zal de Heerestraat zijn gerooid (1612 die nieuw doorgemaeckte strate, 1613 Nieuwe Heerestraete, 1614 de straet oploopende uytte brede ofte Corffmaeckersstraet nae de Oosterstraet). Naar de v.m. Stadsbank van Lening (1784-1935, sedert 1987 appartementengebouw) in de Heerestraat leidt vanaf de Brol een thans doodlopend, naamloos steegje (1658 deurgaende of Spoocksteeg over de Brol, 1760 Spooksteigje, 1839 Lombardsteegje, 1856 en 1907 Lombardsteeg, 1878 Bank van Leeningsteeg).

Door de ligging wordt de naam Over de Kelders (1584 aldus) voldoende verklaard. In het verlengde, tussen Korfmakers- en Vismarktpijp, lag Over de Koornmarkt (1692 aldus), welke naam in 1924 is vervangen door Voorstreek, zoals de verdere bebouwing langs deze gracht reeds eerder heette (1588 straet van de Tuynen naer de Hooxster poorte, 1749 Voorstraat, 1794 tussen Vismarkt en Meelbrug, 1829 Voorstraat, 1845 Voorstreek).

Vismarkt en Koningsstraat, 1848 (tekening S. Bonga) Van de Vismarkt- of Koningspijp leidt de Koningsstraat (1578 Conincxstraet, 1582 Stadtsstraet, 1586 Stadts- of Conincxstraete) naar de Kanselarij. In 1571 approbeerde het Hof van Friesland de aankoop op afbraak van het huis de gulden Valck staende aen de Vischmerckt ende streckende mitter achtereynden ende plaetsen aen ’t diep jegens d’nieuwe cancelrye over, teneinde over de grond van dit en van twee andere huizen een straat te rooien. Ende alsoe d’selve coop is streckende tot verbeteringe deeser steede Leeuwaerden, soo ees’t dat ’t Hoff heeft geordonneert, dat de (koop)somme van 660 gouden guldens betaelt sullen worden uyt die opcompsten der voorschreven steede, mit welcke betalinge die stadt Leeuwaerden van contributie tot behouff der cancelryen gevrijt sal sijn, verclarende mitsdien, dat het leggen van der strate in dezen geroert, niet en sal strecken tot achterdeel van der stadt ofte d’ingesetenen van dyen, oock dat men nyet toelaeten en sal, dat yets in deselve strate sal geschien, dat insgelijcx den burgers schadelick ofte hinderlick sal wesen. In 1677 wordt nog opgehaald dat de Coninckstraet - geen straet geweest sijnde - door den Landschappe is gemaeckt naedat deselve daer een groot huys toe hadde gecocht, betaelt ende wechgebroocken.

Achter de v.m. herberg Benthem (aldus 1619, 1594 eigendom geworden van de wijnheer Jan van Benthem, Voorstreek 36) voerde tot 1890 de Benthemersteeg (1709) naar de Turfmarkt. Noordwaarts gaande bereiken we de Tuinen (1494 uppe Tuunen, 1532 op de Tunen, 1543 opte Thuynen), waarschijnlijk genoemd naar de omheining of de omheinde landerijen van het Amelandshuis, die zich voor het graven van de stadsgracht aanzienlijk verder naar het oosten uitstrekten. Ook hier hadden de bewoners bezwaar tegen geros en gerij op de kade; de tot belemmering van het verkeer geplaatste palen werden echter in 1638 door de stadswachtmeester op hùn kosten verwijderd. Eerst in 1893 ontstond door de afbraak van enkele huizen de verbinding Voorstreek- Turfmarkt, Handelskade genoemd, welke naam in 1923 mede vervangen werd door Tuinen (z.z.). Tussen Tuinen 8 en 14 ligt de Wijdesteeg (1617 op de suydersijde van de Thuinen in zeeckere steige, de wijde steige genaempt), tussen 16 en 28 de Schipperssteeg (1670 Anne Bauckesstege, 1728 Schipkesteeg, 1741 Scheepjessteeg, 1749 Schipkesteeg, 1758 Schipperssteeg - naast de v.m. brouwerij ’t Scheepke -, 1768 Schipkesteeg, 1785 voer het beurtschip van Oudega Sm. af van het Schipke op de Tuinen) en tussen 44 en 64 de Kloksteeg (1608 op de Tuinen, in de steeg bij Pyter Clock, 1613 op de Thuynen z.z. in de steeg naest ’t huis daer de vergulde clocq uythangt, 1625 Pieter Clocqsstege, 1636 Clockstege. Verdwenen zijn het Jouster kwartier (1779 in ’t Jouwster quartier), een nog in 1856 bestaande, ruim 8 meter lange steeg met drie woningen bij Tuinen 34, en het Tuinster Achterom (1820 het Achterom, 1843 Tuinster Achterom), verbinding van Tuin- ster waterpoort en Droevendal/Haakmaburen, dat na 1846 (afgraven van de stadswal) opging in de Oosterkade.

Op de Tuinen komen in de 17e eeuw nòg enige steegnamen voor, maar die konden niet op de kaart worden teruggevonden: 1623 Jan Meinsessteeg op de noordsijde van de Thuinen, 1654 op de Tuynen in Pytter Woltssteyge, 1656 en 1663 op de noordcant van de Tuynen in Jan Harmenssteegh, 1667 de Scholesteeg op de Tuinen, 1682 en 1710 Wybe Doyessteegh soo van de Tuynen als Amelansstraat uitgaande, 1690 en 1698 Boumeesterssteegh op de noordcant van de Thuynen, 1692 en 1703 Aene Backerssteegh op de zuidkandt van de Thuynen, 1694 en 1709 Douwe Upckessteegh op de noordcant van de Thuynen. Deze stegen zullen alle genoemd zijn naar de belenders.

Beter bekend zijn de Kromme Elleboogsteeg (1678 in de Cromelleboogh, 1716 de Krom Elleboogsteeg op de noordkant van de Tuynen) tussen Tuinen 27 en 29 - de vorm zal aanleiding tot de naamgeving zijn geweest -, de Schuitmakerssteeg (1608 Jan schuitmakerssteige tusschen de Tuynen en de Heer van Amelantsstraet, 1652 op de Tuinen in de Schuitmakersteeg) tussen Tuinen 33 en 35, waarin de schuitmaker Jan gewoond zal hebben, en de Pijpbakkerssteeg (1651 stege achter de brouwerije van de Koe, 1688 op de noordkant van de Thuynen in de Koesteegh, 1726 Piepmakerssteegh, 1732 Koesteeg, 1749 Piepbakkerssteeg) tussen Tuinen 35 en 37, waarvan ook een bewoner naamgever geweest zal zijn.

De Tuinen n.z. wordt afgesloten door de Nieuwekade (1829 Nieuwe Kaai, 1865 Nieuwe kade), in 1825 ontstaan na het weggraven van de stadswal tussen de v.m. Tuinsterpoort en het Vossegat. Dat Vossegat was een reeds aanvang der l7e eeuw bestaande opening in de stadswal (denkelijk gemaakt ten behoeve van het laden en lossen van grotere schepen), welke in 1672 gezien de benarde tijden moest worden toegesmeten. In 1691 is er weer sprake van het (open) Vossegat en in 1711 werd het - omdat bij harde vorst daardoor vele gestolen goederen binnen de stad gebracht werden - aanvankelijk met planken, later door metselwerk gedicht. Eindelijk, in 1818, is het naauwe poortje in den wal nevens de Amelandsstraat, het Vossegat geheeten, weggeruimd. Het Jan Mutskesteegje (1683 op de Tuinen in Jan Mutskesteegh, 1829 Jan Mutsjesteeg, 1856 Jan Mutskessteeg) tussen Nieuwekade 96 en 116, oorspronkelijk doorlopend naar de Tuinen, is nu ook verdwenen; in 1673 is de weduwe van Jan Mutske vermeld als bewoonster van een kamer bij de Tuynen aan de stadswal. Wat noordelijker, naast de Korenmeterswacht, Nieuwekade 84, lag de doodlopende Korenmetersgloppe (1877 aldus).

De Amelandsstraat (1565 de achterwech streckende ende loepende voerbij mijnheer van Amelandts hoff, 1579 de Heer van Amelantssteeg, 1664 Heer van Amelandsstraet) heet kennelijk naar de eigenaars van het Amelandshuis (14e-eeuwse stins 1869 gesloopt, vervangend gebouw 1983 afgebrand), de Cammingha’s, die tot 1680 erf- en vrijheren van Ameland waren. Zij waren eerder heren van Hoek, dat in 1435 met Leeuwarden (Nijehove) en Oldehove onder één stadsrecht werd gesteld. Reeds toen was aan de randen van het gebied der Heren van Ameland, langs Voorstreek en Tuinen, grond ter bebouwing uitgegeven. In 1586 verpachtte Taecke Cammingha 23 huissteden in de latere Amelandsstraat, van de achterpoort van het Amelandshuis af tot aan, en verder langs de stadswal. Tussen Amelandsstraat 36 en 40 bevond zich de doodlopende Oude Stokerssteeg (1779 het Stokerssteegje in de Amelandsstraat, 1843 en 1856 Oude Stokerssteeg, 1865 Stokerssteeg, 1878 Oude Stokerssteeg), waarin of waarnaast wel een stokerij gevestigd zal zijn geweest, geen opvallende verschijning in deze omgeving.

De Baljéebuurt (1843 Nieuwe Kaai, 1845 Bij de Caserne - Baljeebuurt, 1865 Baljeebuurt bij de Kazerne, 16 januari 1867 Baljéebuurt, 1 febr. 1983 vervangen door Amelandsdwinger) is genaamd naar de daar in 1752 in het (reeds lang t.b.v. de toegang tot de Bonifatiuskerk geamoveerde) huis no. 50 geboren Jacobus Martinus Baljee, die in 1823 als Raad van Ned. Indië stierf en zijn vermogen naliet aan het Nieuwe Stadsweeshuis, waarin hij was opgevoed. De van 1829 daterende Prins Frederikkazerne is na een grote brand in 1860 herbouwd en in 1984 verbouwd tot appartementen. De bebouwing tussen het aansluitende Hoekster Achterom (1737 bij de bocken (= bokking) hang, 1793 in ’t agterom bij de bokkenhang, 1820 het Achterom, 1843 Hoekster achterom) en het Hoeksterpad (1845 Hoeksterpad - Achter de gasfabriek, 1877 Hoeksterpad) is ontstaan na het slechten van de stadswal in 1838; het niveauverschil tussen beide straten was zo groot, dat de onderwoningen in het H. Achterom en de bovenwoningen op het H. pad hun toegang kregen. Na de afgraving van het Hoeksterpad waren de oudere woningen aldaar alleen via vrij hoge trappen bereikbaar, 1979 zijn de laatste restanten van de huizen afgebroken.

Het Hoeksterkerkhof (l660 Hoexter kerckhoff, 1760 Agter ’t spinhuis, 1839 Oudhoekster kerkhof, 1845 Hoekster Kerkhof) is sedert 1638 in erven verpacht, verkreeg in 1660 een rooilijn en werd in 1691 met keien bestraat. Voorheen lag hier het kerkhof van de St. Catharinakerk van Hoek. Een doodlopende steeg tussen de nos. 13 en 27 heette Kogelschans (1787 de Koggelschans, 1820 Kogchelschans, 1845 Groote Kogchelschans of Hoekster Schans èn Kleine Kogchelschans); kochel is het in de 17e en 18e eeuw gebruikelijke woord voor souteneur. Merkwaardig is de vermelding in 1743 van Bernardus Freugdenberg, wordende in de wandeling genoemt de Kochelschans, wonende op een bovenkamer en op een portaal, in te gaan op ’t Hoecxter kerkhoff. De Hoekster- of Catharinaschans was een (duidelijk op de plattegrond van 1580 te herkennen) rondeel op de N.O.-hoek van de stadswal.

Naar de Voorstreek leidden de Wijdesteeg (1760 Wijde steig, 1772 de wijde steeg over het spinhuis, ontrent de Hoeksterpoort), de Catharinabuurt (1776 Catharine buuren, 1845 Catharinabuurt) en de Nauwesteeg (1856 aldus). Het thans voor jongerenwerk gebruikte pand Voorstreek 106 bevat in de muren nog resten van de v.m. St. Catharinakerk, de door de Cammingha’s gefundeerde parochiekerk van Hoek. (De vicaris mocht in 1556 een nieuwe woning àchter de kerk laten bouwen; in zijn huis aan de straat werd hij gehinderd door groet rumoer deur het geridt, ’twelcke zoe mit waeghens ende peerden in ende uyt die (Hoekster) poorte coemende ende keerende, soedat in ’tzelve huys een goedt eerlijck prester nye bequaemlijcken noch gerustlijcken gewoenen en conde!) Sedert de Reformatie werd de kerk, na diverse verbouwingen, o.m. gebruikt als Lands ammunitiehuis, Stadswerk- of spinhuis en Hulpziekenhuis voor besmettelijke zieken.

Op de Voorstreek, meer zuidwaarts, bevond zich naast het Amelandshuis de Amelands- of Hillemasteeg (1843 Hillemasteeg), waar vier diaconiekamers stonden, die door een legaat van Frederik van Hillama (†1636) konden worden verbouwd en met nòg vier aangevuld. Naast de toegang tot de R.K. kerk van de H. Bonifatius en Gezellen, 1882-’84 gebouwd in de tuin van het Amelandshuis, ligt nog de (nu afgesloten) Collegiesteeg (1672 steegh bij Minne Jelles, 1674 Brouwerssteegh, 1714 Minne Jellessteegh, 1760 Keersmakerssteigje, 1845 Collegiesteeg). De brouwer Minne Jelles kocht in 1623 aldaar een huis, mouterij en brouwerij met brouwgereedschap. In 1720 bleken de Rijnsburger Collegianten ter plaatse een vergaderplaats te hebben gebouwd, waarin zij tot het eind van die eeuw bijeenkwamen.

Onduidelijk is nog de juiste plaats van de Heemsensteeg (1755, bij de dubbele pijp) en de Holkesteeg (1730- 1747, schuin over de dubbele piepe), denkelijk genoemd naar een lid der familie Heems en een Holke. Ter plaatse liepen n.l. diverse smalle stegen. De meest noordelijke heet nog Loodgieterssteeg (1760 Lotegieterssteig, 1776 loodgieterssteeg nabij de Hoexterpoort), ongetwijfeld naar een bewoner, die dat ambacht uitoefende. De reeds behandelde stegen bij de v.m. St. Catharinakerk passerende, bereikt men het Hoeksterend (1877, tevoren: Voor de Gasfabriek), waar tot 1831 de Catharina- of Hoeksterpoort stond (1502 bij Sinte Katharine porta) en, na de demping van de trekschippershaven, in 1845 de gazfabrijk verrees. De afbraak daarvan (1962) leverde het huidige parkeerterrein op; jarenlange pogingen om de vervuilde bodum te saneren lijken mogelijkheden voor woningbouw te hebben geschapen.


Terug