Burgerboeken > Inleiding

De burgerboeken en andere bescheiden betreffende het burgerschap

Over het burgerschap

Voor de Franse tijd gold in Leeuwarden net als in veel andere steden dat niet elke inwoner ook een volwaardig burger van de stad was. Burgers hadden ten opzichte van de andere inwoners bepaalde voorrechten. Zij mochten een beroep uitoefenen in gildeverband en hadden bepaalde handelsvoordelen. Ook hadden burgers - zij het indirect - enige invloed op de samenstelling van het stadsbestuur. Tegenover rechten stonden evenwel plichten. De burgerij (verenigd in de schutterij) werd geacht in oorlogstijd de stad te verdedigen.

Het burgerschap ging over van vader op zoon. Voor hen die geen geboren burgers waren, bestond er de mogelijkheid om het burgerschap te verkrijgen. Hiervoor moest men een bepaald bedrag in de stadskas storten en een eed van trouw afleggen. Zowel de hoogte van het bedrag als de formulering van de eed ondergingen in de loop der tijd enige veranderingen.

In een niet nader gedateerde ordonnantie op het burgerschap uit de regeerperiode van Karel V (1525-1555)[1], werd met betrekking tot de hoogte van het burgerrecht het volgende bepaald: "Item soe salmen vanden borgerschap nemen nae achtinge der persoons, een gemeen ambachtsman die hem wel vermach, sal geven ses olde schilden, den coopman die vreempt is ende nyeuws incompt daernae tot des Rechtes bedencken, een gemeen goet schaemel ambachtsman ende tot een borger bequaem is tot des Rechtes bedencken ende moderatie/middelinge." In de zeventiende eeuw werd deze heffing naar draagkracht losgelaten en gold een vast tarief van zes goudguldens (van 28 stuivers). Dat was een aanzienlijk bedrag in die tijd, maar vergeleken met andere steden was het burgerrecht in Leeuwarden relatief goedkoop. Dat lage tarief bleef ook lange tijd gehandhaafd, pas in 1792 werd het aanzienlijk verhoogd naar 25 carolus guldens (van 20 stuivers).

Ook de formule voor de burgereed werd in de loop der tijd aangepast. Werd men in de zestiende eeuw nog geacht trouw te zweren aan Karel V en later Phillips II en hun vertegenwoordigers in Friesland, ten tijde van de Republiek gold die eed van trouw alleen het stadsbestuur. Halverwege de zeventiende eeuw werd er bovendien een apart formulier ingevoerd voor doopsgezinden, die vanwege hun geloofsopvattingen geen eed mogen afleggen. En vanaf 1759 konden ook Joden burger worden, zij het onder beperkende voorwaarden. Voor hen werd eveneens een apart formulier opgesteld.

Niet iedereen kwam in aanmerking voor het burgerschap. Men moest een "goet oprecht man" zijn en in staat zijn het burgerrecht te betalen. Bovendien werd in de eerder genoemde ordonnantie op het burgerschap bepaald: "Nijemandt salmen aennemen in deeser stadt tot eenen borger het zij saecke dat hij een jaer inder stadt gewoont heeft. Indien de Raedt den selven dan bequaem genouch vinden toe wesen voor een burger, off die sulffde geen borger wilde worden. Ende indien hij dan onwillich bleeff zal hij uuijt de Stadt vaeren."

In de zestiende eeuw voerde de stedelijke overheid dus een actief beleid om burgers te werven. En het ging daarbij niet alleen om rijke burgers. Onder de vroegste inschrijvingen in het oudste Burgerboek vinden we verscheidene arbeiders vermeld alsmede de bedelaar Sander de Waal. In de zeventiende eeuw kreeg het burgerschap evenwel een exclusiever karakter. Arbeiders en bedelaars komen we dan niet meer tegen onder de nieuw ingeschreven burgers. Aangezien het burgerrecht niet langer naar draagkracht werd betaald, werd de drempel voor minder vermogenden om het burgerschap aan te vragen verhoogd. Door de toegenomen economische differentiatie waren er bovendien tal van bedrijfstakken in de stad ontstaan die ook voor niet-burgers openstonden.

In de achttiende eeuw liep het aantal nieuw aangenomen burgers sterk terug. Voor een deel was dit het gevolg van demografische factoren: minder immigranten. Maar ook speelde mee dat men voor de uitoefening van een beroep steeds minder afhankelijk was van een gildelidmaatschap. Tussen 1722 en 1749 waren alle gilden, uitgezonderd die van de bakkers, zilversmeden en schippers, zelfs tijdelijk opgeheven geweest.

Het bestaan van een apart stadsburgerschap naast het staatsburgerschap stond op gespannen voet met de idealen van de Franse en Bataafse revoluties. Het stedelijk burgerschap boette in de Bataafs/Franse tijd dan ook flink aan betekenis in. Niettemin werd in 1803 nog een poging ondernomen om het burgerschap nieuw leven in te blazen, maar tevergeefs.

Naar boven

De burgerboeken

Nieuw aangenomen burgers werden ingeschreven in de Burgerboeken (ca. 1530 - 1800).[2] Hoewel deze drie banden onder één titel staan beschreven is dat niet helemaal terecht. De twee jongste delen zijn namelijk chronologische registers van nieuw aangenomen burgers terwijl het oudste deel een mengvorm van een chronologisch en alfabetisch register is. Nieuw ingeschreven burgers zsijn hier gerangschikt op de eerste letter van hun voornaam en vervolgens chronologisch. Hoe de twee jongste delen zijn bijgehouden is dan ook vrij evident: nadat de nieuwe burger was aangenomen, werd hij meteen ingeschreven in het Burgerboek. Het oudste Burgerboek stelt ons wat dat betreft echter voor meer problemen.

Bij het oudste Burgerboek kon er nogal wat tijd zitten tussen het verlenen van het burgerschap en de registratie in het Burgerboek. Zo werd de metselaar Jemme Ritscke op 27 januari 1560 voor burger aangenomen, maar op het moment (aan het einde van dat jaar?) dat hij in het Burgerboek geregistreerd werd, was hij reeds overleden. Verder zijn de oudste inschrijvingen in het Burgerboek waarschijnlijk uit een ouder register overgenomen. Deze inschrijvingen zijn niet gedateerd. Aangezien de oudste gedateerde inschrijvingen van 10 juni 1544 zijn, moeten deze burgers dus voor die tijd zijn aangenomen. Wat de begindatum van die inschrijvingen betreft is het enigszins gissen. In elk geval woonde de hier vermelde Thijlman boekverkoper reeds in 1532 in de stad.[3] De begindatum van deze inschrijvingen dient dan ook rond 1530 gezocht te worden.[4]

Het oudste Burgerboek is ook niet volledig. Van 1547 t/m 1555 werd het register zelfs helemaal niet bijgehouden. En ook voor andere jaren dient men er rekening mee te houden dat enkele nieuw aangenomen burgers niet in het register zijn opgenomen. Dat blijkt vooral uit de inschrijvingen uit de periode 1640-1651. In deze periode werden nieuw aangenomen burgers zowel in het tweede als in het eerste Burgerboek geregistreerd. En in deze periode vinden we een tiental personen wel in het tweede maar niet in het eerste Burgerboek geregistreerd. Verder zijn verscheidene namen verkeerd uit het jongste Burgerboek in het oudste Burgerboek overgenomen.

Hoewel het tweede Burgerboek over het algemeen vollediger en betrouwbaarder is, kent ook dit deel een omissie. De onderste helft van pagina 203 ontbreekt namelijk. Vergelijking van de betaalde burgergelden met het totaal in de jaarrekening, wijst uit dat hier 6 personen hadden moeten staan.

Naar boven

Het toegankelijk maken van de Burgerboeken

De Burgerboeken zijn geklapperd met behulp van een database die is opgezet om onderzoek te doen naar de immigratie in Leeuwarden. Dit heeft een tweetal gevolgen voor de manier waarop deze delen zijn geklapperd.

1) Op de namen van kinderen van nieuw aangenomen burgers die tegelijkertijd met hun vader het burgerschap wonnen, is niet geklapperd. Dit omdat mede aangenomen kinderen en hun namen niet consequent vermeld zijn.

2) In de registers vind men bij veel nieuwe burgers de geboorteplaats vermeld. In enkee gevallen wordt hiermee niet de geboorteplaats bedoeld, maar de laatste woonplaats van de betreffende persoon. Verder zijn de plaatsnamen zoveel mogelijk in de moderne spelling weergegeven. Indien niet te achterhalen viel welke plaats bedoeld werd, is de plaatsnaam in de originele spelling tussen haakjes weergegeven.

Naar boven

Burgerlijst 1803/04

De lijst (opgesteld tussen nov. 1803 en jan. 1804) behelst een register van burgers, die middels het zetten van hun handtekening een formulier hebben ondertekend, waarbij zij verklaard hebben hun burgerrecht te willen behouden. Dit ingevolge de Stedelijke Publicatie van 9 November 1803.[5]

Het winnen van het burgerrecht was in 1803 reeds vele jaren in onbruik geraakt. En het stadsburgerschap berustte toen reeds op een achterhaald idee. De lijst van 1803/4 en de daarbij behorende ordonnanties en formulieren moeten dan ook gezien worden als een laatste - doch vruchteloze - poging van het Leeuwarder stadsbestuur om het stadsburgerschap nieuw leven in te blazen.

Naar boven

Noten

1) H.C.L., oud archief, inv. nr. M 208, f. 225v. ff.
2) H.C.L., oud archief, inv. nr. M 226 t/m 228.
3) M. Schroor, J. Faber en H. Nijboer, Fontes Leovardiensis, [Leeuwarder Historische Reeks VII], Leeuwarden 2002, p. 164.
4) Zie ook: M. Schroor, "Eene jonghe aencommende landstadt'. Een poging tot reconstructie van de bevolkingsomvang en de bevolkingsgroei van Leeuwarden in de zestiende eeuw,' Leeuwarder Historische Reeks III (1992), 107-142, p. 121-122. De door hem opgegeven aantallen (p. 142) zijn overigens niet correct. Dat geldt ook voor de aantallen die hij opgeeft in: idem, 'De demografische ontwikkeling van Leeuwarden in de zeventiende en achttiende eeuw (1606-1793), Leeuwarder Historische Reeks IV (1993), 40-104, pp. 100-104.
5) H.C.L., oud archief, inv. nr. M 229 en H.C.L., Stedelijke Publicatiën II, 123.

Naar boven